Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-09-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5443, 23/2324

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-09-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5443, 23/2324

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
2 september 2025
Datum publicatie
12 september 2025
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:5443
Formele relaties
Zaaknummer
23/2324
Relevante informatie
Art. 22bis Iw 1990, Art. 39 FW

Inhoudsindicatie

Invordering. Beschikking executiewaarde.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 23/2324 uitspraakdatum: 2 september 2025

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 4 juli 2023, nummer ARN 22/2575, ECLI:NL:RBGEL:2023:3772, in het geding tussen belanghebbende en

de ontvanger van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Ontvanger) alsmede de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) (hierna: de Staat)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Ontvanger heeft ten aanzien van belanghebbende een beschikking executiewaarde (hierna: de beschikking) in de zin van artikel 22bis, lid 11, van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) gegeven waarbij de executiewaarde is vastgesteld op € 58.500. In diezelfde beschikking is ingevolge artikel 22bis, lid 12, van de IW 1990 het beloop van de betalingsverplichting voor belanghebbende vastgesteld op datzelfde bedrag.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Ontvanger het bezwaar ongegrond verklaard en zowel de executiewaarde als de betalingsverplichting gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de Ontvanger. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, waarbij ze aanleiding heeft gezien om vergoedingen van immateriële schade (€ 500), van proceskosten (€ 837) en van griffierecht toe te kennen (€ 365).

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De Ontvanger heeft incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van Rechtbank ingesteld. Belanghebbende heeft een schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een nader stuk ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende en [naam2] namens de

Ontvanger, bijgestaan door [naam3] en [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

1.8.

Na sluiting van het onderzoek is op 29 juli 2025 per e-mail een nader stuk van belanghebbende ingekomen. Het Hof heeft in de inhoud van dat stuk geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en slaat daarop verder geen acht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is op 16 mei 1991 opgericht en houdt zich (onder meer) bezig met de verhuur van onroerende zaken.

2.2.

[naam5] BV (hierna: [naam5] BV) is op 24 juli 2019 opgericht en houdt zich bezig met handelsbemiddeling in hout, vlakglas, sanitair en bouwmaterialen.

2.3.

Per 1 september 2019 huurt [naam5] BV van belanghebbende een bedrijfspand, gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] (hierna: de onroerende zaak). In de huurovereenkomst van dezelfde datum is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“Duur, verlenging en opzegging

3.1

Deze huurovereenkomst gaat in op 1 september 2019 (hierna 'ingangsdatum’) en is aangegaan voor een periode van 5 jaar en loopt tot en met 31 augustus 2024 / onbepaalde tijd

3.2

Na het verstrijken van de in artikel 3.1 genoemde periode wordt deze huurovereenkomst behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door Huurder of Verhuurder in overeenstemming met artikelen 3.3 en 3.4 voortgezet voor een aansluitende periode van 5 jaar, derhalve tot en met 31 augustus 2029 / onbepaalde tijd.

Deze huurovereenkomst wordt vervolgens voortgezet voor een aansluitende-periode[n] van 1 jaar / onbepaalde tijd.

3.3

Beëindiging van deze huurovereenkomst vindt plaats door opzegging door Huurder aan Verhuurder of door Verhuurder aan Huurder tegen het einde van de lopende huurperiode of, ingeval van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen ieder tijdstip, met inachtneming van een termijn drie maanden. (…)”

2.4.

Op 15 januari 2020 hebben belanghebbende en [naam5] BV een overeenkomst van huurkoop gesloten (hierna: de huurkoopovereenkomst). De huurkoopovereenkomst houdt in dat belanghebbende (verkoper) per 1 augustus 2019 machines levert aan [naam5] BV (huurkoper) voor een prijs van € 109.000 (de huurkoopsom). De huurkoopsom wordt in 108 maandelijkse termijnen van € 1.249,55 voldaan (voor het eerst op 1 augustus 2019). In het maandbedrag is een rentevergoeding van 5% begrepen. Verder is in de huurkoopovereenkomst – voor zover hier van belang – ten aanzien van het gebruik en de eigendom van de machines het volgende opgenomen:

“Artikel 1

(…) De eigendom van de machines gaat over op de huurkoper onder de opschortende voorwaarde dat de huurkoper volledig aan de (financiële) verplichtingen uit hoofde van onderhavige huurkoopovereenkomst heeft voldaan.

(…)

Artikel 6

Zolang de huurkoper niet de gehele huurkoopsom en al hetgeen hij te dezer zake verschuldigd is of wordt, zal hebben voldaan, is de huurkoper bevoegd de machines overeenkomstig hun bestemming te gebruiken. Hij zal als een goed huisvader voor de machines zorgen, deze behoorlijk onderhouden en daaraan alle nodige reparaties, van welke aard en door welke oorzaak ook nodig geworden, op eigen initiatief of op eenvoudige schriftelijke, elektronische of mondelinge sommatie van de verkoper of diens gemachtigde, terstond door een door de verkoper aan te wijzen deskundige doen uitvoeren. Aan de verkoper en/of zijn gemachtigde wordt bij deze onherroepelijk het recht verleend van vrije toegang tot de garage of andere plaats waar de machines zich bevinden of redelijkerwijs geacht kunnen worden zich te bevinden. De huurkoper zal verplicht zijn hiertoe zijn medewerking te verlenen. De huurkoper zal de inrichting of gedaante van de machines niet veranderen en het genot van de machines zonder de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van verkoper niet aan anderen afstaan.

Artikel 7

De verkochte machines zijn van heden af in alle opzichten geheel voor rekening en risico van de huurkoper. Deze zal, niettegenstaande eventuele waardevermindering, beschadiging of verlies, door welke oorzaak ook, verplicht zijn tot nakoming van alle voor hem uit deze overeenkomst en de wet voortvloeiende verplichtingen. De verkoper zal tot geen andere vrijwaring gehouden zijn dan voortvloeit uit artikel 7:16 BW.

Artikel 8

Zolang de verkochte machines niet in eigendom op de huurkoper zullen zijn overgegaan, zal hij verplicht zijn deze voor zijn rekening all risk te verzekeren ten name en ten behoeve van de verkoper als eigenaar, bij een door de verkoper aan te wijzen Nederlandse verzekeringsmaatschappij. De polis van deze verzekering zal onder de verkoper blijven berusten totdat de huurkoper aan al zijn uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zal hebben voldaan. Nadien zal de verkoper verplicht zijn de polis ten name van de huurkoper of een door deze aan te wijzen derde te doen overschrijven. De verkoper zal ook gerechtigd zijn deze verzekering zelf af te sluiten te eigen name en voor eigen behoeve, voor rekening van de huurkoper.

Artikel 9

Zodra de huurkoper aan zijn op enig moment jegens de verkoper bestaande verplichtingen heeft voldaan, wat door hem op grond van deze overeenkomst verschuldigd is of zal worden, zal hij de eigendom van de machines verkrijgen, zonder dat daartoe enige verklaring van de zijde van de verkoper of enige levering op andere wijze zal nodig zijn.”

2.5.

Op 9 maart 2021 is [naam5] BV failliet verklaard.

2.6.

Bij brief van 12 maart 2021 heeft de curator belanghebbende op de hoogte gebracht van het faillissement van [naam5] BV en – voor zover hier van belang – het volgende geschreven met betrekking tot de van belanghebbende gehuurde bedrijfsruimte:

“Naar ik heb begrepen heeft u een huurovereenkomst gesloten met gefailleerde betreffende de bedrijfsruimte aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Bij deze deel ik mede dat de huurovereenkomst voor zover deze nog niet is opgezegd, met inachtneming van de kortst mogelijke opzegtermijn vanwege het faillissement hierbij wordt opgezegd.”

2.7.

Belanghebbende heeft per brief van 15 maart 2025 als volgt op de voornoemde brief van de curator gereageerd:

“Hierbij bevestigen wij de ontvangst van uw schrijven dd 12 maart 2021 en accepteren wij de opzegging van de huurovereenkomst tussen [naam5] BV en [belanghebbende] BV/ [naam6] . Wij zullen deze huurovereenkomst per 15 maart 2021 beëindigen.

Het pand zal door ons per omgaande worden afgesloten.

Uiteraard heeft u de mogelijkheid om tot het gebouw toe te treden. Wij verzoeken u hiervoor contact met ons op te nemen.”

2.8.

Voorts heeft de curator bij brief van 15 maart 2021 – nagenoeg gelijkluidend aan de hiervoor genoemde brief van 12 maart 2021 – aan belanghebbende medegedeeld dat de huurkoopovereenkomst met inachtneming van de kortst mogelijk opzegtermijn wordt opgezegd, voor zover dat nog niet is gebeurd.

2.9.

Bij brief van 22 maart 2021 heeft de Ontvanger aan belanghebbende medegedeeld dat – volgens hem – sprake is van een schending van artikel 22bis van de IW 1990, vanwege het (laten) verrichten van handelingen als gevolg waarvan de bodem aan de zaken die zich bij de onroerende zaak bevinden (de machines), is komen te ontvallen. De Ontvanger heeft belanghebbende verzocht om aan te geven op welke datum de handeling is verricht of zij deze heeft laten verrichten, wat de executiewaarde was op het moment van de handeling en op welke stukken die waarde is gebaseerd.

2.10.

Bij e-mail van 30 maart 2021 heeft belanghebbende een kopie van de huurkoopovereenkomst aan de Ontvanger toegestuurd. In aanvulling hierop heeft belanghebbende op 29 april 2021 – voor zover hier van belang – het volgende aan de Ontvanger geschreven:

“(…)

3) de overeenkomst van huurkoop van 15 januari 2020 is ontbonden; de machines zijn ons eigendom gebleven;

4) aan alle wettelijke voorwaarden van huurkoop is voldaan; des nodig sturen wij u stukken van overtuiging;

5) de wél door de failliet betaalde termijnen worden gekwalificeerd als gebruiksvergoeding (e.e.a. komt bij benadering niet in de buurt van een juiste gebruiksvergoeding voor de apparatuur); met de curator vindt geen verdere afrekening plaats.

6) in onze optiek is uw vraag over de executiewaarde niet relevant; aan de belastingdienst komt niets toe.

de machines waren en zijn ons eigendom gebleven; de overeengekomen opschortende voorwaarde is - bij lange na - niet vervuld (…).”

2.11.

De Ontvanger heeft op 24 mei 2021 ten aanzien van belanghebbende een beschikking gegeven waarbij de executiewaarde van de bodemzaken (de machines) en het beloop van de betalingsverplichting is vastgesteld op € 58.500 (zie 1.1). Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt, welk bezwaar de Ontvanger bij uitspraak op bezwaar ongegrond heeft verklaard. Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Rechtbank.

2.12.

Belanghebbende heeft een op 9 februari 2022 gedagtekende factuur verstrekt aan [naam7] B.V. ten bedrage van € 60.000 ex btw / € 72.600 inclusief btw ter zake van de verkoop van “machines en inventaris (…) (inclusief aggregaat/exclusief stelling)”. Blijkens een afschrift van de bankrekening van belanghebbende is op dezelfde dag een bedrag van

€ 72.600 ontvangen van “ [naam7] ”.

2.13.

Bij e-mailbericht van 16 september 2022 heeft de Ontvanger – in het kader van de beroepsprocedure bij de Rechtbank – vragen gesteld aan de curator. Bij e-mailbericht van 25 april 2023 heeft de curator deze vragen beantwoord en daarbij een taxatierapport van [naam8] van 28 januari 2016 toegestuurd, waarin – volgens de curator – de machines worden genoemd waarop de huurkoopovereenkomst ziet.

2.14.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Volgens de Rechtbank heeft belanghebbende, door in te stemmen met het per direct beëindigen van de huurovereenkomst, een handeling verricht als gevolg waarvan de machines niet langer als bodemzaken kwalificeren. Door hiervan geen mededeling te doen aan de Ontvanger heeft belanghebbende de meldingsplicht van artikel 22bis, lid 2, van de IW 1990 geschonden. Ten aanzien van de hoogte van de executiewaarde heeft de Rechtbank vastgesteld dat belanghebbende naar aanleiding van vragen van de Ontvanger over de executiewaarde van de bodemzaken slechts de huurkoopovereenkomst heeft overgelegd en vervolgens overwogen dat de Ontvanger zich bij de berekening van de executiewaarde op € 58.500 terecht heeft gebaseerd op de hem ter beschikking staande stukken. Belanghebbendes stelling over de hoogte van de executiewaarde heeft de Rechtbank buiten beschouwing gelaten, aangezien deze pas voor het eerst ter zitting bij de Rechtbank is ingenomen en niet concreet is onderbouwd.

3 Geschil

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de Ontvanger ten aanzien van belanghebbende terecht een beschikking executiewaarde heeft gegeven, en zo ja, of de executiewaarde en het beloop van de betalingsverplichting daarbij juist is vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende in het kader van het opzeggen van de huurovereenkomst een handeling heeft verricht die op grond van artikel 22bis, lid 2, van de IW 1990 aan de Ontvanger had moeten worden gemeld (schending meldingsplicht). Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Ontvanger bevestigend.

3.2.

Belanghebbende stelt dat uit de communicatie tussen hem en de curator (zie 2.6 en 2.7) volgt dat niet belanghebbende, maar de curator het initiatief heeft genomen om de huurovereenkomst op te zeggen. Dat brengt met zich dat de curator de handeling heeft verricht waardoor de machines niet langer als bodemzaak kwalificeren, zodat de meldingsplicht bij de curator lag, aldus belanghebbende. Voorts stelt belanghebbende dat nu zij de reële eigendom van de machines had, dit eigendomsrecht op grond van artikel 22.9.1. van de Leidraad Invordering 2008 (hierna: de Leidraad) dient te worden ontzien. Tot slot stelt belanghebbende dat indien er een beschikking executiewaarde kon worden gegeven, de Ontvanger de executiewaarde en daarmee de betalingsverplichting te hoog heeft vastgesteld. Daartoe draagt belanghebbende aan dat de Ontvanger ten onrechte is aangesloten bij de in de huurkoopovereenkomst opgenomen koopprijs van € 109.000, aangezien bij de vaststelling van die koopprijs rekening is gehouden met schulden die [naam5] BV bij belanghebbende had. De koopprijs vertegenwoordigt daarmee niet de waarde van de machines ten tijde van het sluiten van de huurkoopovereenkomst, aldus nog steeds belanghebbende.

3.3.

De Ontvanger stelt dat belanghebbende een handeling heeft verricht door de huurovereenkomst (per direct) te beëindigen zonder daarbij een opzegtermijn in acht te nemen. Als belanghebbende een opzegtermijn van drie maanden in acht had genomen, was er wel gelegenheid geweest om bodembeslag te leggen, aldus de Ontvanger. Voorts stelt de Ontvanger dat uit artikel 22.9.1 van de Leidraad volgt dat er bij huurkoop geen sprake is van reëel eigendom, aangezien het economisch risico bij de huurkoper ligt die de goederen in eigendom verkrijgt na afloop van de huurkoopovereenkomst. Ten aanzien van de hoogte van de executiewaarde heeft de Ontvanger gesteld dat deze juist is vastgesteld en dat het aan belanghebbende – die de machines tot drie dagen ná de uitspraak op bezwaar onder zich had, maar deze niet heeft laten taxeren of de Ontvanger gelegenheid heeft geboden om dat te doen – is om aannemelijk te maken dat de executiewaarde te hoog is vastgesteld.

3.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de machines kwalificeren als bodemzaken. Evenmin is in geschil dat belanghebbende geen melding heeft gedaan van het beëindigen van de huurovereenkomst. Voorts is niet in geschil dat wanneer er sprake is van reëel eigendom van de bodemzaken, dat belanghebbende geen meldingsplicht had.

3.5.

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade, indien de redelijke termijn van twee jaar wordt overschreden.

3.6.

In haar nadere stuk van 11 december 2023 heeft belanghebbende aangeboden om de directie van belanghebbende en [naam5] BV te horen als getuige over de werkelijke waarde (huurkoopsom) van de machines ten tijde van het sluiten van de huurkoopovereenkomst. Belanghebbende heeft, ondanks de uitdrukkelijke mededeling hieromtrent in de uitnodiging, om haar moverende redenen geen van die personen meegebracht naar de zitting om als getuige te worden gehoord. Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting uitdrukkelijk afstand hiervan gedaan.

3.7.

De Ontvanger heeft het incidentele hoger beroep uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken ter zitting van het Hof.

4 Beoordeling van het hoger beroep

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing