Home

Rechtbank Gelderland, 04-07-2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:3772, AWB - 22 _ 2575

Rechtbank Gelderland, 04-07-2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:3772, AWB - 22 _ 2575

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
4 juli 2023
Datum publicatie
31 juli 2023
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2023:3772
Formele relaties
Zaaknummer
AWB - 22 _ 2575
Relevante informatie
Art. 22bis Iw 1990

Inhoudsindicatie

Invorderingswet 1990. Beschikking executiewaarde ex artikel 22bis, elfde lid, wegens niet voldoen aan meldingsplicht. Eiseres was verhuurder van een bedrijfspand aan de huurder. Eiseres had tevens goederen in huurkoop aan de huurder ter beschikking gesteld. De huurder failleert.

Eiseres had aan de Belastingdienst moeten melden dat zij medewerking heeft verleend aan het opzeggen van de huurovereenkomst. Beschikking executiewaarde blijft in stand. Beroep ongegrond.

Uitspraak

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 22/2575

in de zaak tussen

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

Procesverloop

1. De ontvanger heeft aan belanghebbende een beschikking executiewaarde als bedoeld in artikel 22bis, elfde lid, van de Invorderingswet 1990 (IW) van € 58.500 opgelegd waarin mede de betalingsverplichting als bedoeld in artikel 22bis, twaalfde lid, van de IW is vastgesteld ter zake van onbetaald gebleven naheffingsaanslagen in de loonheffingen en de omzetbelasting van [A BV] ([A BV]) .

2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. De ontvanger heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

3. De ontvanger heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.

4. Belanghebbende heeft op 31 mei 2023 een nader stuk ingediend. Een afschrift hiervan is aan de ontvanger verstrekt.

5. De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2023 op zitting behandeld. Namens belanghebbende heeft de gemachtigde hieraan deelgenomen. Namens de ontvanger waren [naam 1], [naam 2] en [naam 3] aanwezig.

Feiten

6. Belanghebbende verhuurt onroerende en roerende zaken. Zij heeft een bedrijfspand aan [A BV] verhuurd ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van [A BV].

7. [A BV] maakte voor haar activiteiten gebruik van machines die op grond van een huurkoopkomst door belanghebbende (in de hoedanigheid van huurverkoper) aan [A BV] (in de hoedanigheid van huurkoper) ter beschikking werden gesteld.

8. In de huurkoopovereenkomst van 3 oktober 2019 is uitgegaan van een waarde van de machines van € 109.000. Maandelijks betaalde [A BV] een annuïteit van € 1.249,55, gedurende 108 maanden (rente 5%).

9. [A BV] is op 9 maart 2021 failliet verklaard. De curator heeft bij brief van 12 maart 2021 aan belanghebbende het volgende medegedeeld:

“Naar ik heb begrepen heeft u een huurovereenkomst gesloten met gefailleerde betreffende de bedrijfsruimte aan de [adres]. Bij deze deel ik mede dat de huurovereenkomst voor zover deze nog niet is opgezegd, met inachtneming van de kortst mogelijke opzegtermijn vanwege het faillissement hierbij wordt opgezegd.”

10. Belanghebbende heeft op 15 maart 2021 aan de curator het volgende medegedeeld:

“Hierbij bevestigen wij de ontvangst van uw schrijven dd 12 maart 2021 en accepteren wij de opzegging van de huurovereenkomst (…). Wij zullen deze huurovereenkomst per 15 maart 2021 beëindigen.
Het pand zal door ons per omgaande worden afgesloten. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om tot het gebouw toe te treden. Wij verzoeken u hiervoor contact met ons op te nemen.”

Geschil

11. In geschil is of de ontvanger de beschikking terecht en, zo ja, naar het juiste bedrag heeft opgelegd. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende had moeten melden dat zij het voornemen had de huurovereenkomst met [A BV] op te (laten) zeggen. Niet in geschil is dat de machines bodemzaken zijn waarvoor in beginsel de meldingsplicht geldt.

12. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij enkel heeft ingestemd met de huuropzegging door de curator en dat zij de handelingen die zij verrichtte niet hoefde te melden aan de Belastingdienst, althans dat zij zich daar niet bewust van was. De ontvanger heeft volgens belanghebbende alles via de faillissementsverslagen tot in detail meegekregen. Uit de faillissementsverslagen volgt volgens belanghebbende dat er geen roerende zaken met een waarde van € 58.500 of daaromtrent tot de faillissementsboedel van [A BV] behoorden. Verder is belanghebbende van mening dat de executiewaarde te hoog is vastgesteld. Daarnaast heeft belanghebbende gesteld dat de ontvanger niet alle stukken heeft betrokken bij de bezwaarprocedure, dat de ontvanger niet ingaat op de door belanghebbende gestelde gang van zaken en er de ontvanger ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan. Daarmee zijn de beschikkingen gebrekkig voorbereid en gemotiveerd. Ten slotte heeft belanghebbende gesteld dat sprake is van strijd met de goede procesorde en het fairplaybeginsel.

13. De ontvanger stelt dat belanghebbende niet de reële eigendom had van de machines omdat sprake is van huurkoop. Ook het aanvaarden van de opzegging van de huurovereenkomst is een handeling als bedoeld in artikel 22bis, tweede lid, van de IW, aldus de ontvanger. Het is niet de curator, maar belanghebbende, die deze handeling had moeten melden.

Beoordeling door de rechtbank

Conclusie en gevolgen

Beslissing

Informatie over hoger beroep