Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-09-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5721, 23/2412
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-09-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5721, 23/2412
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 16 september 2025
- Datum publicatie
- 26 september 2025
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2023:2508, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 23/2412
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Waardevaststelling woning.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 23/2412
uitspraakdatum: 16 september 2025
Uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van
22 juni 2023, nummer LEE 22/1162, in het geding tussen belanghebbende en
De heffingsambtenaar van de gemeente Noardeast-Fryslân (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van – onder meer – de onroerende zaak [adres1] 16A te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 142.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens belanghebbende, alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam3] (taxateur).
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning.
De woning is een in 1923 gebouwde bovenwoning, welke beschikt over een dakkapel van 1 m².
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 januari 2022 het bezwaar van belanghebbende – van 18 maart 2021 – ongegrond verklaard.
De Rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep bij uitspraak van 22 juni 2023 ongegrond verklaard. In haar uitspraak heeft de Rechtbank vastgesteld dat de redelijke termijn voor het doen van uitspraak is overschreden met drie maanden, maar daarbij vanwege het ontbreken van spanning en frustratie bij belanghebbende geen aanleiding gezien om een vergoeding van immateriële schade toe te kennen. Volgens de Rechtbank blijkt het ontbreken van spanning en frustratie uit het feit dat het belang in de voorliggende zaak slecht ‘enkele tientjes’ bedraagt, dat de werkzaamheden in de voorliggende zaak door de gemachtigde – en niet belanghebbende – worden verricht, dat de overschrijding van de redelijke termijn relatief gering is en dat de gemachtigde – hoewel in het verleden regelmatig wel – niet recentelijk contact heeft gehad met belanghebbende (over onder meer de vraag hoeveel asbest zich in de woning bevindt).
3 Geschil
In hoger beroep is in geschil of de waarde van de woning per de waardepeildatum te hoog is vastgesteld. Voorts is in geschil of de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om een vergoeding van immateriële schade, vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim drie maanden, toe te kennen.
Belanghebbende beantwoordt die vragen bevestigend en bepleit een waarde van
€ 124.000. De heffingsambtenaar beantwoordt die vragen ontkennend.
Met betrekking tot de waarde heeft belanghebbende het volgende aangevoerd:
- -
-
dat van een onjuist gebruiksoppervlak voor de woning is uitgegaan,
- -
-
dat bepaalde vergelijkingsobjecten niet bruikbaar zijn,
- -
-
dat er onvoldoende rekening is gehouden met het afnemend grensnut en
- -
-
dat terecht, maar onvoldoende is gecorrigeerd voor de aanwezigheid van asbest in en de slechte isolatiestaat van het dak.
Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.