Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-02-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:595, 24/86 en 24/87
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-02-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:595, 24/86 en 24/87
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 4 februari 2025
- Datum publicatie
- 14 februari 2025
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2023:4883, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 24/86 en 24/87
- Relevante informatie
- Art. 22 Wet WOZ, Art. 8:91 Awb, Art. 8:94 Awb
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Vergoeding griffierecht eerste aanleg.
Uitspraak
locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 24/86 en 87
uitspraakdatum: 4 februari 2025
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] N.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 november 2023, nummers LEE 22/2094 en 22/2095 in het geschil tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Noardeast-Fryslân (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van twee onroerende zaken in de gemeente Noardeast-Fryslân voor het jaar 2021 vastgesteld. Tegelijk met deze beschikkingen zijn voor dat jaar de aanslagen onroerendezaakbelasting opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, maar wegens overschrijding van de redelijke termijn wel een vergoeding van immateriële schade toegekend. Tevens heeft de Rechtbank een vergoeding van proceskosten (€ 837) vastgesteld en de betaling daarvan gelijkelijk verdeeld over de Minister voor Rechtsbescherming (nu: de Minister van Justitie en Veiligheid) en de heffingsambtenaar.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting zou plaatsvinden op 12 november 2024. Kort daarvoor heeft belanghebbende in haar brief van 8 november 2024 laten weten dat het geschil enkel het niet vergoeden van het griffierecht betreft. Zij heeft daarom verzocht haar hoger beroep niet mondeling te laten behandelen. Hiermee heeft de heffingsambtenaar ingestemd. De mondelinge behandeling is vervolgens niet doorgegaan.
In zijn brief van 11 november 2024 heeft het Hof partijen tot 4 december 2024 de gelegenheid gegeven er onderling uit te komen. Daarin zijn zij niet geslaagd.
2 Vaststaande feiten
Het in beroep betaalde griffierecht is € 365 voor de zaak met nummer 22/2094 en € 365 voor de zaak met nummer 22/2095.
Wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Rechtbank een vergoeding van immateriële schade vastgesteld. Daarbij heeft de Rechtbank alleen een proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld. Zij heeft in de omstandigheid dat het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan gedurende het beroep ex artikel 8:91, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht en daarom volgens artikel 8:94, lid 2, van die wet geen griffierecht verschuldigd was, reden gezien om het griffierecht niet te laten vergoeden.
Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. In haar brief van 8 november 2024 heeft belanghebbende te kennen gegeven dat het geschil in hoger beroep enkel het niet vergoeden van het griffierecht betreft.
3 Geschil
In hoger beroep is de vraag in geschil of de Rechtbank terecht geen vergoeding voor het griffierecht heeft vastgesteld.
Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.