Gerechtshof Den Haag, 29-01-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:133, 200.126.843 en 200.126.848
Gerechtshof Den Haag, 29-01-2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:133, 200.126.843 en 200.126.848
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 29 januari 2021
- Datum publicatie
- 29 januari 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2021:133
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:BY9845, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2015:3586
- Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2016:3015
- Zaaknummer
- 200.126.843 en 200.126.848
Inhoudsindicatie
Internationaal ondernemingsrecht/aansprakelijkheidsrecht
Aansprakelijkheid naar Nigeriaans recht van Shell Nigeria voor schade als gevolg van olielekkage in 2004 uit pijpleiding bij het dorp Goi in Nigeria. Sabotage niet bewezen. Olietoevoer in lekke leiding niet tijdig stilgelegd. Recht op schoon leefmilieu. Geen bevel tot verdere sanering. Eventuele restvervuiling geeft mogelijk aanspraak op schadevergoeding. Geen grond voor aanspraken jegens moedervennootschap (foreign direct liabilty claim).
English translation in ECLI:NL:GHDHA:2021:133
Uitspraak
Afdeling civiel recht
Uitspraakdatum : 29 januari 2021
Zaaknummers : 200.126.843 (zaak c) + 200.126.848 (zaak d)
Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/337058 / HA ZA 09-1581 (zaak c) +
C/09/365482 / HA ZA 10-1665 (zaak d)
Arrest
in de zaken van:
1 Eric Barizaa DOOH,
wonende te Goi, Rivers State, Federale Republiek Nigeria,
2. de vereniging met rechtspersoonlijkheid VERENIGING MILIEUDEFENSIE,
gevestigd te Amsterdam,
appellanten, tevens geïntimeerden in het incidenteel appel,
hierna te noemen: Eric Dooh (of Dooh) en MD, en gezamenlijk: MD c.s. (in meervoud),
advocaat: mr. Ch. Samkalden te Amsterdam,
tegen (zaak c)
1 de rechtspersoon naar vreemd recht ROYAL DUTCH SHELL PLC.,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, kantoorhoudende te Den Haag,
2. de rechtspersoon naar vreemd recht SHELL PETROLEUM DEVELOPMENT COMPANY OF NIGERIA LTD.,
gevestigd te Port Harcourt, Rivers State, Federale Republiek Nigeria,
geïntimeerden, tevens appellanten in het incidenteel appel,
hierna te noemen: RDS en SPDC, en gezamenlijk: Shell (in enkelvoud),
advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk te Amsterdam,
en tegen (zaak d)
1 SHELL PETROLEUM N.V,
gevestigd te Den Haag,
2. de rechtspersoon naar vreemd recht THE “SHELL” TRANSPORT AND TRADING COMPANY LIMITED,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
geïntimeerden, tevens appellanten in het incidenteel appel,
hierna te noemen: Shell NV en Shell T&T en gezamenlijk: Shell (in enkelvoud),
advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk te Amsterdam.
Inhoudsopgave
Dit arrest is als volgt ingedeeld:
Procesverloop
Algemeen
Het procesverloop in de zaken a en b
De verdere beoordeling
1. De feiten (rov. 1.1 en 1.2)
2. De vorderingen van MD c.s. en de vonnissen van de rechtbank (rov. 2.1-2.2)
3. Het hoger beroep; inleidende overwegingen
Toepasselijk recht (rov. 3.1-3.2)
Hernieuwde beoordeling van de vorderingen (rov. 3.3-3.10)
Het Nigeriaanse recht; algemeen (rov. 3.12-3.22)
Exclusiviteit van de OPA (rov.3.23-3.26)
Aansprakelijkheid van een moedervennootschap naar Nigeriaans recht (rov. 3.27-3.31)
De omvang van de verontreiniging (rov. 3.32)
4. Preliminaire verweren van Shell
Inleiding (rov. 4.1)
Vorderingsgerechtigdheid van Barizaa Dooh (de vader)(rov. 4.2-4.8)
Vorderingsgerechtigdheid van Eric Dooh (de zoon) (rov. 4.9-4.14)
Vorderingsgerechtigdheid van MD c.s. onder de OPA (rov. 4.15-4.18)
5. De vorderingen uit hoofde van Ontstaan (van de lekkage)
De vorderingen I en III.a-a tegen SPDC (de dochter) (rov. 5.1)
Sabotageverweer: bewijslast & bewijsdrempel (rov. 5.2-5.12)
De bewijswaardering (rov. 5.13-5.26)
Slotsom t.a.v. de vorderingen I en III.a-a tegen SPDC uit hoofde van Ontstaan (rov. 5.27-5.29)
De vorderingen I en III.a-a tegen de moedervennootschappen uit hoofde van Ontstaan (rov. 5.30-5.31)
Vordering VI: in goede staat houden van de leidingen (rov. 5.32-5.33)
6. De vorderingen tegen SPDC uit hoofde van Reactie
Achtergrond en grondslagen (rov. 6.1-6.5)
De toegangsproblematiek (rov. 6.6-6.7)
Stelling I: te laat afsluiten van de olietoevoer (rov. 6.8-6.11)
Stelling II: LDS (rov. 6.12)
Stelling III: de brand (rov. 6.13)
Stelling IV: het indammen (rov. 6.14)
Slotsom m.b.t. de vorderingen I en III.a-a tegen SPDC uit hoofde van Reactie (rov. 6.15-6.18)
Vordering VII: het bevel uit hoofde van Reactie (rov. 6.19-6.21)
7. De vorderingen uit hoofde van Sanering
Inleidende overwegingen (rov. 7.1-7.4)
De EGASPIN-aanbevelingen (rov. 7.5-7.8)
De verdere beoordelingen van de Saneringsvorderingen (rov. 7.9)
De temporele aspecten van de sanering (rov. 7.10-7.13)
De sanering van de grond (rov. 7.14-7.27)
De watersanering (rov. 7.28-7.29)
Slotsom m.b.t. de op negligence gebaseerde Saneringsvorderingen (rov. 7.30-7.31)
De Rylands v Fletcher-rule (rov. 7.32)
8. De vorderingen II en III.b: het grondrecht op schoon leefmilieu (rov. 8.1-8.6)
9. De vorderingen III.a-b en IX (rov. 9.1-9.2)
10. Afsluitende overwegingen (rov. 10.1-10.5)
Beslissing
Procesverloop
Algemeen
De in dit arrest te beoordelen zaken c en d maken deel uit van een zestal zaken van MD en Nigeriaanse eisers/boeren tegen Shell. De zaken a en b gaan over een lekkage bij het Nigeriaanse dorp Oruma in 2005. De onderhavige zaken c en d gaan over een lekkage bij het Nigeriaanse dorp Goi in 2004. De zaken e en f gaan over lekkages bij het Nigeriaanse dorp Ikot Ada Udo in 2006 en 2007.
Het procesverloop in de zaken c en d
Voor een gedetailleerd overzicht van het procesverloop tot dan toe wordt verwezen naar het laatste tussenarrest van 31 juli 2018 en de daaraan voorafgaande tussenarresten van 27 maart 2018, 11 oktober 2016 en 18 december 2015. Hierna volgt een samenvatting van het gehele procesverloop.
MD c.s. zijn tijdig in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 30 januari 2013. Dit vonnis berust op onder meer de volgende stukken:
- de inleidende dagvaarding van MD c.s. (ID);
- de conclusie van antwoord van Shell (CvA);
- de conclusie van repliek van MD c.s. (CvR);
- de conclusie van dupliek van Shell (CvD);
- de pleitnota’s van MD c.s. (PE-MD) en van Shell (PE-S) van 11 oktober 2012.
In hoger beroep zijn de volgende processtukken genomen/hebben de volgende processuele gebeurtenissen plaatsgevonden:
- de incidentele conclusie tot exhibitie van MD c.s. (C-Exh);
- de memorie van antwoord in het incident ex art. 843a tevens houdende exceptie van onbevoegdheid in het incident van Shell (MvA-Exh);
- de memorie van antwoord in het bevoegdheidsincident in het incident ex art. 843a Rv van MD c.s. (MvA-B/Exh);
- het proces-verbaal van de comparitie van 30 juni 2014 (PV-2014), waaruit blijkt dat de procedureafspraak is gemaakt om de appelprocedures te splitsen in twee fasen, waarbij (fase 1) eerst een oordeel over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter volgt, tegelijkertijd met een beslissing op de (incidentele) vordering(en) ex art. 843a Rv, en daarna (fase 2) de zaak ten gronde wordt beslist;
- de memorie van grieven in incidenteel appel in fase 1 van Shell (MvG-inc/1);
- de memorie van grieven inzake de afwijzing van de 843a-vordering in fase 1 van MD c.s. (MvG/1);
- de memorie van antwoord fase 1 van Shell (MvA/1);
- de memorie van antwoord bij de memorie van grieven zijdens Shell (fase 1) van MD c.s. (MvA-inc/1);
- de pleitnota fase 1 van MD c.s. (PA/1-MD) en van Shell (PA/1-S);
- het tussenarrest van dit hof van 18 december 2015 (het 2015-arrest), waarin is beslist (i) dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van alle vorderingen en (ii) MD ontvankelijk is in de door haar bij wijze van collectieve actie ingestelde vorderingen en waarin (iii) de 843a Rv-vorderingen van MD c.s. deels zijn toegewezen;
- het tussenarrest van 27 maart 2018 (het 2018/1-arrest) waarin – na een comparitie van partijen en stukkenwisseling – een deskundigenonderzoek is bevolen naar de oorzaak van de lekkages in Oruma en Goi;
- het tussenarrest van 31 juli 2018 (het 2018/2-arrest), waarin een nader verzoek van MD in het artikel 843a Rv-incident is afgewezen;
- het deskundigenbericht van 17 december 2018 (het deskundigenbericht);
- de beschikking van dit hof van 25 januari 2019 waarin de kosten van de deskundigen zijn begroot op € 44.840,18 voor D. Koster en W. Sloterdijk en op £ 17.000,00 voor T. Sowerby;
- de memorie van grieven fase 2 van MD c.s. van 260 pagina’s (MvG/2);
- de memorie van antwoord/memorie van grieven in het incidenteel appel fase 2 van Shell van 375 pagina’s (MvA/MvG-inc/2);
- de memorie van antwoord in het incidenteel appel fase 2 van MD c.s. (MvA-inc/2);
- de akte uitlating producties in het principaal appel fase van MD c.s. (AU-MD/2) waarin zij ingaan op de producties 56-67 bij de MvA/MvG-inc/2;
- de akte overlegging producties Q.72-Q.80 van MD c.s.;
- de aanvullende producties 77 en 78 van Shell;
- de producties Q.81 en Q.82 van MD c.s.;
- de producties 79 en 80 van Shell;
- de producties Q.83 en Q.84 van MD c.s..
Op 8 en 9 oktober 2020 hebben de advocaten van partijen de zaken bepleit (de 2020-zitting). Zij hebben daarbij pleitnota’s gebezigd (PA/2-MD en PA/2-S). Die zijn overgelegd. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt (PV-2020). De bezwaren die op de zitting zijn gemaakt tegen overlegging van producties en ter zitting aangevoerde stellingen zijn ingetrokken.
Partijen hebben ook nog een map (digitaal en op schrift) overgelegd met daarin de gevoerde correspondentie, genummerd 1 t/m 113. In die map zit ook het rapport van bevindingen van 18 juli 2017 van mr. B.E. ter Haar met betrekking tot de door Shell gedeponeerde vertrouwelijke stukken. Shell heeft die stukken eveneens op een usb-stick aangeleverd.
De producties van MD c.s. zijn voorzien van een letter en een cijfer (bijvoorbeeld M.1 en Q.83), de producties van Shell zijn alleen voorzien van een cijfer (bijvoorbeeld 66).
Waar hierna naar de processtukken wordt verwezen, zijn de processtukken van zaak c bedoeld, tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven.
De verdere beoordeling