Home

Gerechtshof Den Haag, 24-08-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1692, BK-21/01224 en BK-22/00769

Gerechtshof Den Haag, 24-08-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1692, BK-21/01224 en BK-22/00769

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24 augustus 2022
Datum publicatie
29 september 2022
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:1692
Zaaknummer
BK-21/01224 en BK-22/00769
Relevante informatie
Art. 17 lid 2 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 4 lid 2 Uitv.reg. WOZ, Art. 8:42 Awb, Art. 8:58 lid 1 Awb

Inhoudsindicatie

Het geschil betreft de restwaarden van de ruwbouw, afbouw en installaties en de technische levensduur van de installaties van het gebouwde deel van een crèche/peuterspeelzaal (de crèche).

Beide partijen hebben het archetype O116PL12 in de Taxatiewijzers Onderwijs 2018 en 2019 tot richtsnoer genomen. Belanghebbende is niettemin in de onderbouwing van haar standpunt over de restwaarden van de kengetallen in het archetype O116PL12 afgeweken. Dan is het aan belanghebbende om feiten te stellen en bij betwisting daarvan aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geoordeeld dat deze afwijking nodig was om te komen tot een waarde die toetsing aan het bepaalde in artikel 17, lid 2, Wet WOZ kan doorstaan. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aan deze stelplicht en bewijslast voldaan.

Voor de correctie wegens technische veroudering van de installaties gelden de normale regels omtrent stelplicht en bewijslast. Derhalve dient de Heffingsambtenaar aannemelijk te maken dat de door hem toegepaste correcties wegens technische veroudering van de installaties van de crèche juist, althans niet te laag zijn. De Heffingsambtenaar heeft, met wat hij heeft aangevoerd, aan zijn stelplicht en bewijslast voldaan.

Verder heeft belanghebbende het Hof gevraagd om gevolgen te verbinden aan de uiterst late indiening van het nader stuk met bijlagen waarin en waarmee de Heffingsambtenaar uiteindelijk verweer voert tegen het hoger beroep van belanghebbende. In dit geval is er van een benadeling van belanghebbende door de late indiening van het nader stuk met bijlagen echter geen sprake omdat deze stukken niet zó ingewikkeld en omvangrijk zijn dat de beroepsmatig optredende gemachtigde van belanghebbende in de periode van (iets meer dan) twee weken tussen de indiening van de stukken en de zitting van de stukken kon kennisnemen en daarop schriftelijk voor de zitting of mondeling op de zitting kon reageren. Het Hof wijst de Heffingsambtenaar erop dat het Hof niet zal aarzelen om in andere situaties, waarin de belanghebbende of zijn gemachtigde voor het kennisnemen van en reageren op laat door de Heffingsambtenaar ingediende stukken meer tijd nodig heeft dan de Heffingsambtenaar hem laat, de gevolgtrekkingen te maken die het Hof geraden voorkomen.

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-21/01224 en BK-22/00769

in het geding tussen:

(gemachtigde: G. Gieben)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 15 november 2021, nummers ROT 20/4622 en ROT 21/3764.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 31 januari 2019 (beschikking I) op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2018 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak [adres 1] (de crèche), voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 938.000. Met de beschikking is in één geschrift (onder meer) bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2019 opgelegde aanslag in de van gebruikers geheven onroerendezaakbelasting van de gemeente Delft (aanslag I). De heffingsmaatstaf van de aanslag I is eveneens € 938.000.

1.2.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 29 februari 2020 (beschikking II) op grond van artikel 22 Wet WOZ de waarde op 1 januari 2019 (de waardepeildatum) van de crèche voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 924.000. Met de beschikking is in één geschrift (onder meer) bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de van gebruikers geheven onroerendezaakbelasting van de gemeente Delft (aanslag II). De heffingsmaatstaf van de aanslag II is eveneens € 924.000.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen beschikking I en aanslag I bezwaar gemaakt. Bij de uitspraak op bezwaar van 17 juli 2019 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard (uitspraak op bezwaar I).

1.4.

Belanghebbende heeft tegen beschikking II en aanslag II bezwaar gemaakt. Bij de uitspraak op bezwaar van 21 juli 2020 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard (uitspraak op bezwaar II).

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar I en II beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft éénmaal griffierecht geheven van € 354. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 541.

1.7.

De Heffingsambtenaar heeft bij brief van 22 april 2022, gecorrigeerd bij brief van 26 april 2022, een nader stuk ingediend waarin hij verweer tegen het hoger beroep van belanghebbende heeft gevoerd. Bij dit nader stuk heeft de Heffingsambtenaar een aantal bijlagen gevoegd.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2022 te Den Haag. De Heffingsambtenaar is verschenen en de gemachtigde van belanghebbende heeft deelgenomen aan de zitting via Teams, waarbij sprake was van een rechtstreekse beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Op 1 januari 2019 en 1 januari 2020 was belanghebbende gebruiker van de crèche.

2.2.

Belanghebbende heeft voor het belastingjaar 2020 een taxatierapport (Taxatierapport B 2020) overgelegd dat op 4 mei 2020 is opgesteld door [A] , taxateur.1

Onderdeel

Grond bij niet-woning

oppervlakte

1.250 m2

rekenprijs/ m2

€ 97

deelwaarde (excl. OB)

€ 121.250

Onderdeel

Crèche

bouwjaar

2005

oppervlakte

653 m2

Specificatie

Archetype

leef-

tijd (jr)

aantal

m2

rekenprijs per m2 (€)

correctie

grootte

rekenprijs per m2 na correctie (€)

O116PL12

ruwbouw

14

653

707

0,991

700

O116PL12

afbouw

14

653

438

0,991

434

O116PL12

installaties

14

653

268

0,991

256

Specificatie (vervolg)

Archetype

ovw (€)

rw

(%)

tld

(jr)

ctv

(%)

ftv

cfv

(%)

ffv

gvw

(€)

O116PL12

ruwbouw

457.283

5

47

28,3

0,717

5

0,95

311.488

O116PL12

afbouw

283.511

5

27

49,3

0,507

5

0,95

136.663

O116PL12

installaties

173.766

5

17

78,2

0,218

5

0,95

35.929

Totaal

914.560

484.079

Samenvatting

Totaal gvw opstallen

€ 484.079

Totaal grondwaarde

€ 121.250

Totaal gvw complex

€ 605.329

Totaal gvw complex incl. 21% OB

€ 732.448

Afgerond

€ 732.000

2.3.

De Heffingsambtenaar heeft twee taxatierapporten overgelegd die op 16 december 2019 en 5 oktober 2020 zijn opgesteld door [B] , taxateur. Eén daarvan betreft de bij beschikking I voor het jaar 2019 naar waardepeildatum 1 januari 2018 vastgestelde waarde van de crèche (Taxatierapport H 2019). Het andere taxatierapport betreft de bij beschikking II voor het jaar 2020 naar waardepeildatum 1 januari 2019 vastgestelde waarde van de crèche (Taxatierapport H 2020). Omdat de verschillen tussen de beide rapporten voor de beantwoording van de in hoger beroep in geschil zijnde vragen (zie onder 4) niet van belang zijn, neemt het Hof hieronder alleen gegevens op die zijn ontleend aan het Taxatierapport H 2020. Aan het Taxatierapport H 2020 ontleent het Hof de volgende gegevens.2

Type object

Archetype

Bouw-

jaar.

Grootte

(m2)

Rekenprijs

per m2

OB (€)

Deelwaarde

Grond

--

--

1.250

€ 104

€ 27.300

€ 157.300

Crèche

0116PL12

2005

703

zie hierna

zie hierna

zie hierna

Specificatie crèche

Archetype

leef-

tijd (jr)

aantal

m2

correctie

grootte

rekenprijs

per m2 na

correctie (€)

ovw (€)

O116PL12

ruwbouw

14

703

0,983

695

488.585

O116PL12

afbouw

14

703

0,983

431

302.993

O116PL12

installaties

14

703

0,983

264

185.592

Totaal (€ ) 977.170

Specificatie crèche (vervolg)

Archetype

rw

(%)

tld

(jr)

rtld

(jr)

gtld

(jr)

ftv

ffv

gvw

(€)

O116PL12

ruwbouw

27

47

33

47

0,783

1,0

382.344

O116PL12

afbouw

22

27

13

27

0,596

1,0

180.449

O116PL12

installaties

17

17

5

19

0,388

1,0

72.088

Totaal

634.881

Samenvatting

Totaal gvw crèche

€ 634.881

Grondwaarde

€ 130.000

Totaal

€ 764.881

Omzetbelasting

€ 160.625

Incl. omzetbelasting (21%)

€ 925.506

WOZ-waarde

€ 924.000

Onderbouwing van de restwaarde

Vergelijkbare

objecten

[adres 2]

[adres 3]

[adres 4]

Gemeente

[woonplaats 2]

[woonplaats 3]

[woonplaats 4]

Soort object

Basisschool/

Kinderdagverblijf

Kinderdagverblijf

Kinderdagverblijf

Bouwjaar

1930

1960/1970

1960

Transactiedatum

16-03-2018

29-09-2017

04-05-2018

Transactieprijs (€)

365.000

230.000

580.000

b.v.o.3 (m2)

560

362

640

Vervangingskosten

749.280

452.000

717.765

Perceel (m2)

2.192

421

2.680

Grondwaarde

168.272

61.045

321.600

Restwaarde (%)

26,26

37,37

36

Opmerkingen

Verkocht vrij van huur en gebruik. Na verkoop is het object verbouwd tot 6 appartement-

en.

Na verkoop is het gebruik ongewijzigd gebleven. Aangekocht door zittende huurder

Verkocht vrij van huur en gebruik. Na verkoop is bestemming maatschappelijk gebleven. Privékliniek

2.4.

Beide partijen gaan bij de onderbouwing van de door hen vastgestelde dan wel verdedigde waarde van de crèche uit van de Taxatiewijzer en kengetallen Deel 1 Onderwijs Waardepeildatum 1 januari 2018 (Taxatiewijzer 2018), onderscheidenlijk 1 januari 2019 (Taxatiewijzer 2019), meer in het bijzonder de kengetallen van het archetype Crèche plat dak, metselwerk, gemiddelde afwerking >2000 (archetype O116PL12). Aan het archetype 0116PL12, opgenomen in de Taxatiewijzer 2019, ontleent het Hof de volgende kengetallen:4

Kengetallen per waardepeildatum 01-01-2018

Percentage OB 21%

Bandbreedte (tussen minimum en maximum 20%

onderverdeling

%

verdeling

ovw per m2

exclusief 21% OB

min - gemiddeld - max

levensduur

min - max

restwaarde

min - max

ruwbouw

52%

€ 677

€ 752

€ 827

45

50

25%

30%

afbouw/v.i

30%

€ 390

€ 434

€ 477

25

30

20%

25%

installaties

18%

€ 234

€ 260

€ 286

15

20

15%

20%

overige kosten

inclusief

totalen

100%

€ 1.301

€ 1.446

€ 1.591

Kengetallen per waardepeildatum 01-01-2019

Percentage OB 21%

Bandbreedte (tussen minimum en maximum 20%

onderverdeling

%

verdeling

ovw per m2

exclusief 21% OB

min - gemiddeld - max

levensduur

min - max

restwaarde

min - max

ruwbouw

52%

€ 685

€ 761

€ 837

45

50

25%

30%

afbouw/v.i

30%

€ 395

€ 439

€ 483

25

30

20%

25%

installaties

18%

€ 237

€ 263

€ 290

15

20

15%

20%

overige kosten

inclusief

totalen

100%

€ 1.317

€ 1.463

€ 1.609

Uitspraak van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:

8. Daarnaast is tussen partijen niet in geschil dat voor de waarde van de grond voor beide waardepeildata uit moet worden gegaan van € 185,- per m². Het verschil tussen de grondwaarde van eiseres (€ 121.250,- ex BTW) en die van verweerder (€ 130.000,- ex BTW) komt doordat eiseres uitgaat van een bruto vloeroppervlak van het gebouw van 653 m² en verweerder van 703 m², zoals ter zitting door partijen bevestigd. Omdat de rechtbank verweerder volgt in zijn bruto vloeroppervlak, maakt verweerder aannemelijk dat de door hem aangehouden grondwaarde niet te hoog is.

9. Voor het bepalen van de (bruto) vervangingswaarde gaan beide partijen uit van het archetype O116PL12 en beide partijen gaan voor de vervangingswaarde per m² uit van het gemiddelde dat uit de bandbreedte van de Taxatiewijzer volgt. Omdat de standaard grootte van dit archetype 600 m² is, moet hiervoor een correctie aangebracht worden. Eiseres gaat daarbij uit van een (niet aannemelijk gemaakte) oppervlakte van 653 m² en verweerder van 703 m². De rechtbank volgt daarom verweerder in de door hem aangehouden correctie voor grootte. Omdat de vervangingswaarde voor het overige niet in geschil is, maakt verweerder aannemelijk dat de door hem aangehouden vervangingswaarde niet te hoog is.

Technische correctie

10. Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte de levensduur van de onroerende zaak heeft verlengd en dat de door verweerder aangehouden restwaarde niet is onderbouwd, omdat een onderbouwing van de gebruikte kengetallen uit de Taxatiewijzer ontbreekt.

10.1

Voor de bepaling van de restwaarde houdt verweerder bij de ruwbouw een percentage van 27 % aan, bij de afbouw 22 % en bij de installaties 17 %, het gemiddelde van de bandbreedte zoals in de Taxatiewijzer opgenomen.
Eiseres stelt dat de restwaarde van alle onderdelen op 0 % (1 januari 2018) of 5 % (1 januari 2019) is.

10.2

Zoals eiseres terecht aanvoert, zijn de kengetallen uit de Taxatiewijzer onvoldoende met marktgegevens onderbouwd. Echter, met de verwijzing in de taxatierapporten van verweerder naar een drietal verkopen van kinderdagverblijven waarvan de verkoopprijzen dicht genoeg bij de waardepeildatum overeen zijn gekomen, levert verweerder gerealiseerde marktcijfers die in combinatie met de Taxatiewijzer een voldoende onderbouwing geven.
De verkochte objecten liggen niet in [woonplaats 1] of omgeving. Verkopen van dit soort objecten doen zich - vanwege het beperkte aantal objecten van deze aard – niet zo vaak voor. Daarom kon verweerder naar verkooptransacties van dit type object elders uitwijken. Uit de verkopen volgt voor 1 januari 2018 een (totale) restwaarde van 29,27 %, 37,37 % en 24,86 % en voor 1-1-2019 van 29,27%, 37,37 % en 36%. Deze percentages zijn voldoende inzichtelijk doordat verweerder de verkoopsom heeft verminderd met de grondwaarde, de aldus berekende waarde van de opstal heeft gedeeld door de vervangingswaarde en de uitkomst heeft vermenigvuldigd met 100 %. Een gemiddelde restwaarde van de onroerende zaak van 23,50 % (van de ruwbouw, afbouw en installaties) is dan niet te hoog.

10.3

Wat betreft de levensduur gaan beide partijen uit van een initiële levensduur van 47 jaar voor de ruwbouw, 27 jaar voor de afbouw en 17 jaar voor de installaties, het gemiddelde van de bandbreedte zoals in de Taxatiewijzer opgenomen.
Op de waardepeildata is de onroerende zaak 13 en 14 jaar oud. Dit betekent dat de restwaarde nog niet is bereikt. Desondanks heeft verweerder de levensduur van de installaties met vijf jaar verlengd.

10.4

Uit het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671, volgt dat als in de waardering wordt aangesloten bij een taxatiewijzer, de partij die wil afwijken van de kengetallen in die taxatiewijzer de gronden daarvoor moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken.
Omdat volgens verweerder de levensduur van installaties van de onroerende zaak op een langere periode gesteld moet worden dan de periode die volgt uit de Taxatiewijzer en de restwaarde op dat latere tijdstip wordt bereikt, rust de bewijslast daarvan verweerder, nu eiseres dit betwist.

10.5

Verweerder voert voor de levensduurverlenging van de installaties aan dat al duidelijk is dat de installaties langer gebruikt gaan worden dan oorspronkelijk ingeschat. De actuele verwachting is dat het gebouw nog een aantal jaren in gebruik zal blijven, omdat het geplande onderhoud en de investeringen erop zijn gericht het gebouw ook in de toekomst te blijven gebruiken. De eigenaar heeft een meerjarig onderhoudsplan tot 2043. Daarbij geldt ook dat uit onderzoek van de Rabobank naar voren komt dat voor de kinderopvang sector op korte termijn een lichte omzetgroei wordt verwacht, aldus verweerder.
De rechtbank vindt dit een afdoende motivering voor de opvatting dat de oorspronkelijk ingeschatte levensduur inmiddels achterhaald is en dat beoordeeld naar wat er op 1 januari 2018 en 1 januari 2019 bekend is een levensduurverlenging van vijf jaar gerechtvaardigd is. Daarbij is van belang dat het hier niet gaat om de bouwkundige levensduur van de afbouw en installaties, maar de functionele levensduur daarvan.
Eiseres heeft er ter zitting op gewezen, dat het meerjarig onderhoudsplan zich niet in het dossier bevindt. Dat is voor de rechtbank onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan het bestaan ervan.

10.6

Bij de levensduurverlenging moet worden bekeken wat de invloed daarvan is op de restwaarde en op welk tijdstip die restwaarde wordt bereikt.
Verweerder wijst erop dat in de onroerende zaak een beperkte hoeveelheid installaties aanwezig zijn die regelmatig onderhouden worden, waarbij het object na beëindiging van het gebruik door eiseres voor andere doeleinden kan worden gebruikt.
Hiermee maakt verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat ook na een levensduurverlenging voor de installaties uitgegaan kan worden van de gemiddelde percentages die uit de Taxatiewijzer volgen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat voor de waardepeildatum 1 januari 2018 de levensduur een jaar langer is dan oorspronkelijk ingeschat en voor 1 januari 2019 twee jaar langer.

11. De conclusie is dat verweerder de door hem aangehouden technische correctie aannemelijk maakt.

(…)

Conclusie

15. Ook wat eiseres overigens aanvoert leidt niet tot de conclusie dat verweerder de waarden te hoog heeft vastgesteld. Verweerder is dan ook voor beide waardepeildata in zijn bewijslast geslaagd.

16. De beroepen zijn ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing