Gerechtshof Den Haag, 21-07-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1772, BK-21/00898
Gerechtshof Den Haag, 21-07-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1772, BK-21/00898
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 juli 2022
- Datum publicatie
- 12 oktober 2022
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2021:8605, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- BK-21/00898
- Relevante informatie
- Art. 17 WOZ, Art. 6:17 Awb, Art. 3:41 Awb, Art. 7:2 Awb, Art. 7:12 Awb, Art. 7:15 Awb
Inhoudsindicatie
Art. 2:1, 3:41, 6:17 en 7:12 Awb. Uitspraak op bezwaar ten onrechte niet aan gemachtigde verzonden. Uitsluitend toezending van de uitspraak op bezwaar aan belanghebbende leidt tot schending van art. 6:17 Awb en niet tot aanvang van de beroepstermijn. Verschuiving van de termijn vanwege de latere toezending aan gemachtigde leidt tot herstel van deze schending. Geen schending van de hoorplicht als het hoorverzoek na beëindiging van de bezwaarfase is gedaan. WOZ.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-21/00898
in het geding tussen:
(gemachtigde: N.A. Gangadin)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 26 augustus 2021, nummer ROT 20/3812.
Procesverloop
Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) heeft de Heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] (de woning), op grond van artikel 22 van de Wet WOZ op waardepeildatum 1 januari 2018 (de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 176.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Rotterdam voor het jaar 2019 (de aanslag) opgelegd.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 48 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht van € 134 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 9 juni 2022. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning.
De woning is een bovenwoning met een oppervlakte van 102 m2.
De woning wordt als woonruimte verhuurd aan meerdere personen.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 4 februari 2019 de waarde van de woning vastgesteld op € 176.000.
Op 8 maart 2019 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de voornoemde beschikking.
Bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2019 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard. De uitspraak op bezwaar is gericht en verzonden aan [belanghebbende] .
De gemachtigde van belanghebbende heeft op 2 juni 2020 de Heffingsambtenaar per e-mail in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar.
De Heffingsambtenaar heeft hierop op 3 juni 2020 per e-mail gereageerd en aan de gemachtigde van belanghebbende medegedeeld dat al uitspraak op bezwaar is gedaan. Op 4 juni 2020 heeft de Heffingsambtenaar per e-mail de uitspraak op bezwaar naar de gemachtigde van belanghebbende verstuurd.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“Ontvankelijkheid
2. Indien iemand (hier: een bezwaarmaker) zich door een gemachtigde laat vertegenwoordigen schrijft artikel 6:17 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor dat het bevoegde orgaan op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval toezendt aan de gemachtigde. Eiser is van mening dat artikel 6:17 Awb is geschonden nu verweerder de uitspraak niet naar de gemachtigde van eiser heeft verzonden.
Verweerder heeft gesteld dat de uitspraak op bezwaar is verzonden naar het adres van belastingplichtige (cliënt [belanghebbende] ) en niet naar gemachtigde van belastingplichtige omdat belastingplichtige via zijn eigen DigiD bezwaar heeft gemaakt in het online loket van de gemeente Rotterdam.
Eiser heeft zijn bezwaarschrift — met een toelichting, opgesteld en ondertekend door zijn gemachtigde — ingediend in het online portal van gemeente Rotterdam. Eiser heeft ingelogd op dit portal met zijn eigen DigiD. DigiD is een persoonlijke inlogcode voorzien van een wachtwoord waarmee een persoon zich kan identificeren op websites van de overheid.
De rechtbank overweegt het volgende. Nu het bezwaarschrift is ingediend met een DigiD op naam van belastingplichtige moet er in beginsel van worden uitgegaan dat het bezwaar is ingediend door hemzelf. Bij zijn bezwaarschrift heeft eiser echter een brief op briefpapier van [naam kantoor] gevoegd, ondertekend door drs. Gangadin met (in de ondertekening) de vermelding "(gemachtigde)" waarin "namens [belanghebbende] " het bezwaar wordt toegelicht. Verder heeft eiser een mailadres vermeld op zijn bezwaar, dat verwees naar [naam kantoor] . Verweerder had bij de voorbereiding van de uitspraak op bezwaar uit dit een en ander redelijkerwijze moeten begrijpen dat eiser en drs. Gangadin ervan uit gingen, dat drs. Gangadin in deze als gemachtigde van [belanghebbende] optrad.
Nu bij het bezwaarschrift geen volmacht was gesloten had verweerder eiser gelegenheid moeten geven om alsnog een volmacht over te leggen en — na ontvangst van die volmacht — stukken verder (ook) naar de gemachtigde moeten sturen. Door zonder te vragen om een volmacht de uitspraak op bezwaar niet (ook) aan drs. Gangadin te sturen heeft verweerder artikel 6:17 Awb geschonden. De door eiser bewandelde route (indienen van een toelichting van een gemachtigde via zijn eigen inlogcode) is ongebruikelijk en verwarrend, hetgeen het versturen van de ontvangstbevestiging van het bezwaar alleen aan eiser kan rechtvaardigen. Het kan niet afdoen aan de werking van artikel 6:17 Awb nadat verweerder gelegenheid heeft gehad het bezwaar te bestuderen. Schending van artikel 6:17 Awb houdt in, dat er niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en dat daardoor termijnen die aanvangen op de dag na (correcte) bekendmaking (artikel 6:8 Awb) nog niet gaan lopen (Zie: CRvB 23 mei 2001, JB 2001/197 en CRvB 18 nov. 2003, AB 2004/72).
De uitspraak op bezwaar is blijkens het — op dit punt niet weersproken — beroepschrift voor het eerst aan de gemachtigde van eiser toegezonden op 4 juni 2020. Dit betekent dat op 5 juni de beroepstermijn is gaan lopen en dat het beroepschrift — van 15 juli 2020 — tijdig is ingediend. Het beroep is ontvankelijk.
(…)
4. Eiser is van mening dat hij ten onrechte niet op zijn bezwaarschrift is gehoord. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Wet WOZ in samenhang met artikel 25, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, wordt een belanghebbende echter — in afwijking van de hoofdregel in artikel 7:2 van de Awb — alleen gehoord op zijn of haar verzoek. Uit de stukken blijkt niet dat eiser dat verzoek tijdig heeft gedaan. Zijn klacht op dit punt is ongegrond.
Waarde
5. De onroerende zaak is een appartement (bouwjaar 1916) met een woonoppervlakte van 102 m2.
6. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die eraan moet worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom ervan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet WOZ blijkt dat de WOZ-waarde gelijk dient te zijn aan de prijs die de meest biedende koper betaalt na de meest geschikte voorbereiding. Dit is het uitgangspunt dat de wetgever heeft gekozen bij de waardering volgens de Wet WOZ. In het algemeen mag verweerder bij zijn waardebepaling gebruik maken van (per waardepeildatum geïndexeerde) verkoopcijfers van vergelijkingsobjecten die zijn verkocht een jaar vóór de waardepeildatum, maar ook van verkoopcijfers van een jaar ná de waardepeildatum.
7. Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. Hiertoe legt hij een taxatierapport over van 13 juli 2021 opgemaakt door [naam taxateur] en de daarin opgenomen waardematrix (hierna: de matrix). De woning is door de taxateur gewaardeerd aan de hand van de verkoopcijfers van vergelijkbare woningen met behulp van de vergelijkingsmethode.
8. Eiser heeft gesteld dat het eigen aankoopcijfer niet bruikbaar is vanwege door de makelaar gehanteerde veiling-methode. Blijkens het verweerschrift en het taxatierapport heeft verweerder het eigen aankoopcijfer niet gebruikt bij zijn waardering omdat het eigen aankoopcijfer te ver is gelegen van de waardepeildatum. Dit standpunt van eiser treft geen doel.
9. De in het taxatierapport vermelde vergelijkingsobjecten zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type, bouwjaar, inhoud, oppervlakte en onderhoudstoestand goed vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak. Uit de matrix bij het taxatierapport volgt dat de m2-prijs van de onroerende zaak € 1.725,- bedraagt tegen een gemiddelde m2-prijs van € 2.109,- voor de vergelijkingsobjecten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.”