Gerechtshof Den Haag, 27-09-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1908, BK-21/01196
Gerechtshof Den Haag, 27-09-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1908, BK-21/01196
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 27 september 2022
- Datum publicatie
- 24 oktober 2022
- Zaaknummer
- BK-21/01196
- Relevante informatie
- Art. 225 Gemw, Art. 7:15 lid 2 Awb, Art. 8:75 Awb
Inhoudsindicatie
Proceskostenvergoeding. Wegingsfactor.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-21/01196
in het geding tussen:
(gemachtigde: M.J.M. Bergers)
en
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 oktober 2021, nummer SGR 21/1328.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende zeven naheffingsaanslagen parkeerbelasting van de gemeente Delft opgelegd.
De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de eerst opgelegde naheffingsaanslag ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de overige zes naheffingsaanslagen gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 49. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 452;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 134 geheven. De Heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.
Bij brief van 18 maart 2022 heeft het Hof aan partijen laten weten dat het onderzoek ter zitting achterwege zal blijven en dat partijen binnen veertien dagen na dagtekening van die brief het Hof kunnen berichten dat zij toch ter zitting willen worden gehoord. Bij brief van 10 augustus 2022 heeft het Hof aan partijen laten weten dat het Hof de zaak zal beslissen zonder mondelinge behandeling aangezien partijen het Hof niet hebben bericht dat zij ter zitting willen worden gehoord.
Feiten
De Heffingsambtenaar heeft naheffingsaanslagen opgelegd voor het parkeren van de auto met kenteken [kenteken] op 23 november 2020 om 14:02 uur, op 24 november 2020 om 13:56 uur, op 25 november 2020 om 12:56 uur, op 25 november 2020 om 15:02 uur, op 26 november 2020 om 21:09 uur, op 28 november 2020 om 17:10 uur en op 30 november 2020 om 14:03 uur op respectievelijk de [straat 1] en de [straat 2] te [woonplaats] .
Bij brief van 31 december 2020 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen. In haar bezwaarschrift verzoekt belanghebbende onder meer om toekenning van een proceskostenvergoeding.
Bij uitspraak op bezwaar van 4 februari 2021 heeft de Heffingsambtenaar, op grond van gemeentelijk beleid, het bezwaar tegen de op 23 november 2020 opgelegde naheffingsaanslag ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de overige zes naheffingsaanslagen gegrond verklaard. De Heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar geen beslissing genomen op het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding.
De Heffingsambtenaar heeft bij bericht van 12 juli 2022 verweer gevoerd in hoger beroep. Het verweer vermeldt voor zover van belang:
“5. Standpunt heffingsambtenaar ten aanzien van gronden van hoger beroep
Proceskosten bezwaar
De heffingsambtenaar constateert dat tijdens de bezwaarprocedure een hoorzitting heeft plaatsgevonden, dit betekent dat de rechtbank ten onrechte daar geen punt voor heeft toegekend. (…)”