Home

Gerechtshof Den Haag, 14-09-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1910, BK-22/00461 en BK-22/00462

Gerechtshof Den Haag, 14-09-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1910, BK-22/00461 en BK-22/00462

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14 september 2022
Datum publicatie
27 oktober 2022
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:1910
Zaaknummer
BK-22/00461 en BK-22/00462
Relevante informatie
Art. 231 Gemw, Art. 7:2 Awb, Art. 7:3 onderdeel b Awb, Art. 7:11 Awb, Art. 7:15 lid 2 Awb, Art. 7:28 lid 2 Awb, Art. 8:75 Awb, Art. 8:113 lid 2 Awb, Art. 11 lid 3 AWR, Art. 24a lid 1 AWR, Art. 25 lid 4 AWR

Inhoudsindicatie

Aanslagen reinigingsrecht 2018 en 2019. De Heffingsambtenaar heeft afzonderlijke uitspraken op bezwaar gedaan op in één geschrift vermelde bezwaren tegen meerdere op één aanslagbiljet opgenomen aanslagen. Geen strijd met 7:11 Awb en 25, lid 4, AWR. Schending hoorplicht aangezien de aan de aanslagen ten grondslag liggende feiten werden betwist. Geen sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar in de zin van 7:3, letter b, Awb. Aannemelijk dat de verleende rechtsbijstand beroepsmatig is verleend. Het ontbreken van een inschrijving in de Kamer van Koophandel staat daaraan niet in de weg. Toepassing judiciële lus van art. 8:113, lid 2, Awb.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-22/00461 en BK-22/00462

in het geding tussen:

(gemachtigde: F. van der Tempel)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 maart 2022, nummers SGR 21/2986 en SGR 21/2987.

Procesverloop

Aanslag 2018

1.1.1.

Met dagtekening 31 december 2020 zijn aan belanghebbende voor het jaar 2018 op één aanslagbiljet verenigd aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen (gebruiker), rioolheffing (gebruiker) en het reinigingsrecht opgelegd.

1.1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 17 maart 2021 heeft de Heffingsambtenaar het gemaakte bezwaar tegen de aanslag in het reinigingsrecht (de aanslag reinigingsrecht 2018), ongegrond verklaard.

Aanslag 2019

1.2.1.

Eveneens met dagtekening 31 december 2020 zijn aan belanghebbende voor het jaar 2019 op één aanslagbiljet verenigd aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen (gebruiker), rioolheffing (gebruiker) en het reinigingsrecht opgelegd.

1.2.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 17 maart 2021 heeft de Heffingsambtenaar het gemaakte bezwaar tegen de aanslag in het reinigingsrecht (de aanslag reinigingsrecht 2019), ongegrond verklaard.

2018 en 2019

1.3.

Tegen de uitspraken op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van de beroepen is éénmaal een griffierecht van € 360 geheven. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 540. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende bij brief van 18 juli 2022 de pleitnota en een formulier proceskosten ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 augustus 2022. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [woonplaats] . De onroerende zaak fungeert als een inloophuis, waar bezoekers pastorale gesprekken kunnen voeren en waar onder andere gebedsbijeenkomsten worden gehouden en cursussen worden gegeven (het inloophuis).

2018

2.2.1.

De Heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 december 2020 voor het jaar 2018 aanslagen gemeentelijke belastingen opgelegd. Het aanslagbiljet vermeldt de aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (gebruiker) van € 229,37, de aanslag in de rioolheffing (gebruiker) van € 105,72 en de aanslag in het reinigingsrecht van € 273,12 (tezamen: de aanslagen gemeentelijke belastingen 2018).

2.2.2.

Belanghebbende heeft voor 2018 in één bezwaarschrift, met dagtekening 1 februari 2021, bezwaar gemaakt tegen de aanslagen gemeentelijke belastingen 2018.

2.2.3.

Bij uitspraak op bezwaar van 17 maart 2021 heeft de Heffingsambtenaar beslist ten aanzien van het bezwaar tegen de aanslag reinigingsrecht 2018. Bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar beslist op het tegen de andere op het aanslagbiljet gemeentelijke belastingen 2018 vermelde aanslagen, gemaakte bezwaar.

2019

2.3.1.

De Heffingsambtenaar heeft eveneens met dagtekening 31 december 2020 voor het jaar 2019 aanslagen gemeentelijke belastingen opgelegd. Het aanslagbiljet vermeldt de aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (gebruiker) van € 208,98, de aanslag in de rioolheffing (gebruiker) van € 110,52 en de aanslag in het reinigingsrecht (variabel deel en vastrecht) van respectievelijk € 12,78 en € 288,51 (tezamen: de aanslagen gemeentelijke belastingen 2019).

2.3.2.

Belanghebbende heeft voor 2019 in één bezwaarschrift, met dagtekening 1 februari 2021, bezwaar gemaakt tegen de aanslagen gemeentelijke belastingen 2019.

2.3.3.

Bij uitspraak op bezwaar van 17 maart 2021 heeft de Heffingsambtenaar beslist ten aanzien van het bezwaar tegen de aanslag reinigingsrecht 2019. Bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar beslist op het tegen de andere op het aanslagbiljet gemeentelijke belastingen 2019 vermelde aanslagen, gemaakte bezwaar.

2018 en 2019

2.4.

Betreffende de aanslagen reinigingsrecht 2018 en 2019 heeft de Heffingsambtenaar op 17 maart 2021 de uitspraken op bezwaar gedaan zonder belanghebbende daaraan voorafgaand te horen.

2.5.

Bij brief van 25 maart 2021 heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende als volgt bericht:

“Naar aanleiding van uw bezwaarschriften van 1 februari 2021 tegen de aanslagen op naam van [belanghebbende] bericht ik u hierbij het volgende:

In uw bezwaarschriften heeft u aangegeven dat u gehoord wilt worden voordat ik uitspraak doe op uw bezwaarschriften. Naar aanleiding daarvan stuur ik u de bijgevoegde conceptuitspraak.

Als u na het lezen van de conceptuitspraak nog steeds de wens heeft om gehoord te worden, verzoek ik u om binnen twee weken na dagtekening van deze brief contact op te nemen met de in het briefhoofd genoemde contactpersoon. Er kan dan een afspraak gemaakt worden voor een hoorgesprek. De contactpersoon is bereikbaar op [telefoonnummer] of per e-mail via [mailadres]. U kunt uw reactie ook per post zenden naar het in het briefhoofd vermelde adres. Wanneer u na het lezen van de conceptuitspraak afziet van de mogelijkheid om te worden gehoord, verzoek ik u om dit ook telefonisch, per post of per e-mail aan te geven zodat de definitieve uitspraak op uw bezwaar kan worden opgesteld.”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“5. In geschil is of verweerder in één geschrift uitspraken op bezwaar had moeten doen op alle bezwaren tegen de aanslagen. Ook is in geschil of de hoorplicht is geschonden, en, indien dit niet het geval is, of de aanslagen reinigingsrecht tijdig zijn opgelegd. Tot slot is in geschil of eiseres het vastrecht moet betalen.

6. Eiseres voert aan dat verweerder in de uitspraken op bezwaar ten onrechte alleen de bezwaren tegen de aanslagen reinigingsrecht heeft betrokken. Eiseres is ten onrechte niet gehoord. De aanslagen reinigingsrecht zijn te laat opgelegd. Eiseres is geen vastrecht verschuldigd, aldus nog steeds eiseres.

7. Verweerder voert aan dat er geen verplichting bestaat om in één geschrift uitspraak te doen op de bezwaren tegen de aanslagen. Die bezwaren tegen de aanslagen reinigingsrecht zijn terecht kennelijk ongegrond verklaard waardoor verweerder mocht afzien van horen. Daarbij komt dat in het begeleidend schrijven bij de conceptuitspraak aan eiseres de kans is geboden voor een hoorgesprek maar daar heeft eiseres van afgezien, aldus nog steeds verweerder. De aanslagen reinigingsrecht zijn naar het juiste bedrag opgelegd.

Had verweerder in één geschrift uitspraak moeten doen?

8. De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan eiseres meent, kent de wet geen verplichting om in één geschrift uitspraak te doen op de in één geschrift vervatte bezwaren van eiseres tegen de verschillende aanslagen. Verweerder is op grond van artikel 25, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in samenhang met artikel 231 van de Gemeentewet bevoegd om, indien bezwaar is gemaakt tegen meerdere belastingaanslagen, de uitspraken op bezwaar te vervatten in één geschrift. Dit betreft echter een bevoegdheid en geen verplichting. Verweerder mocht dus in één geschrift de uitspraken doen met betrekking tot de aanslagen reinigingsrecht en de overige bezwaren in een ander geschrift behandelen.

Is de hoorplicht geschonden?

9. Op grond van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat op bezwaar wordt beslist, belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord. Op grond van artikel 7:3, onderdeel b, van de Awb kan – voor zover hier van belang – van het horen worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

10. Vast staat dat eiseres heeft verzocht om te worden gehoord en dat dit niet is gebeurd voordat op de bezwaren met betrekking tot het reinigingsrecht is beslist. Dat verweerder eiseres na het doen van de uitspraken op bezwaar alsnog de mogelijkheid heeft gegeven om te worden gehoord, doet daar niet aan af. Dit betekent dat de rechtbank nu eerst zal beoordelen of verweerder de bezwaren inzake de reinigingsrechten terecht “kennelijk ongegrond” heeft verklaard.

11. De aanslagen reinigingsrecht zijn gebaseerd op de Verordening reinigingsheffingen 2018 (Verordening 2018) en Verordening reinigingsheffingen 2019 (Verordening 2019) van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk. In zowel de Verordening 2018 als 2019 staat - voor zover hier van belang - het volgende:

“Artikel 11: Belastbaar feit

Artikel 12: Belastingplicht

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing