Gerechtshof Den Haag, 18-10-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2365, BK-22/00044
Gerechtshof Den Haag, 18-10-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2365, BK-22/00044
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 oktober 2022
- Datum publicatie
- 22 december 2022
- Zaaknummer
- BK-22/00044
- Relevante informatie
- Art. 17 lid 2 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ, Art. 6:17 Awb
Inhoudsindicatie
Uit de artikelen 7:4 Awb en 40 Wet WOZ vloeit geen verplichting voor de Heffingsambtenaar voort om de stukken waar belanghebbende om heeft verzocht tijdens de bezwaarfase, voorafgaand aan het hoorgesprek aan belanghebbende toe te zenden.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-22/00044
in het geding tussen:
(gemachtigde: G. Gieben)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 1 december 2021, nummer SGR 20/6895.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 29 februari 2020 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2019 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 340.000. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag onroerende-zaakbelasting (de aanslag).
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 48 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 september 2022. Partijen zijn verschenen. Van de zijde van belanghebbende is ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning betreft een hoekwoning uit het bouwjaar 1971 met een inhoud van 375 m3. De oppervlakte van het perceel bedraagt ongeveer 231 m2 (inclusief een brandgang van 4 m2). De woning is verder voorzien van een dakkapel, een aangebouwde garage, een aangebouwde berging en een vrijstaande berging.
Belanghebbende heeft bij brief van 4 maart 2020 tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift is het volgende opgenomen:
“(…) Ik verzoek u bij niet volledig tegemoetkoming aan het bezwaar de opbouw en een controleerbare onderbouwing van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel, op basis van recente uitspraken van de rechtbank Oost Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2018:357) en de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2017:1051) tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te overleggen.
Ik verzoek u de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren, alsmede de manier waarop u de verschillen hebt verdisconteerd, van het onderhavige object en van de door u opgevoerde vergelijkingsobjecten tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te verstrekken.”
Bij brief van 10 maart 2020 heeft de Heffingsambtenaar de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en het taxatieverslag van de woning aan de gemachtigde van belanghebbende toegestuurd.
Bij e-mailbericht van 19 juni 2020 is belanghebbende uitgenodigd voor een hoorzitting. In de uitnodiging voor de hoorzitting is het volgende opgenomen:
“(…) Volledigheidshalve vermeld ik dat u t/m 3 juli 2020 desgewenst nadere stukken kunt indienen, en dat het bezwaarschrift en de overige stukken voorafgaand aan de hoorzitting een week ter inzage liggen. Dat is van 6 t/m 10 juli 2020 op onderstaand adres. Indien u daarvan gebruik maakt dan verzoek ik u om uiterlijk 5 werkdagen van tevoren met mij af te stemmen op welke dag en welk tijdstip u langs wilt komen.”
Bij brief van 28 augustus 2020 heeft belanghebbende een taxatierapport ingediend, op 11 augustus 2020 opgemaakt door [A] en [B] , taxateurs bij [C B.V.] te [vestigingsplaats] . De brief vermeldt:
“(…) Ik verzoek u, bij niet volledig tegemoetkoming aan het bezwaar, op basis van artikel 40 Wet WOZ de opbouw van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel, en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren van het onderhavige object en van de door u opgevoerde vergelijkingsobjecten tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te verstrekken.”
In de uitspraak op bezwaar, gedateerd 17 september 2020, is het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De uitspraak op bezwaar vermeldt:
“Met betrekking tot uw verzoek om de grondstaffel en de gehanteerde KOUDV factoren deel ik u mede dat deze ruimschoots voor de hoorzitting ter inzage hebben gelegen. U bent daarvan per email van 19 juni en 22 juni op de hoogte gesteld. Van de inzage mogelijkheid heeft u geen gebruik gemaakt.”
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft – voor zover van belang in hoger beroep – geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“8. Eiseres heeft verder nog aangevoerd dat verweerder in het bezwaarschrift is verzocht om op grond van artikel 40 van de Wet WOZ de grondstaffel en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren van de woning over te leggen. De rechtbank overweegt dat in de bezwaarfase artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt, op grond waarvan verweerder in de bezwaarfase alle op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen ter inzage dient te leggen voor eiseres gedurende ten minste een week. Artikel 7:4, tweede lid, van de Awb brengt geen verplichting mee voor verweerder om de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan de hoorzitting aan eiseres te verstrekken. Er heeft op 1 september 2020 een telefonische hoorzitting plaatsgevonden. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat hij eiseres per email heeft gewezen op de mogelijkheid tot inzage en dat eiseres van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. Uit artikel 40 van de Wet WOZ volgt geen verplichting de stukken waar eiseres tijdens de bezwaarfase om heeft verzocht voorafgaand aan het horen toe te zenden. De wetgever heeft met artikel 7:4, vierde lid, van de Awb reeds een voorziening getroffen voor deze situatie. Afschriften van op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen immers tegen vergoeding worden verkregen door eiseres. Ook artikel 7:4, vierde lid, van de Awb verplicht verweerder niet tot toezending van die stukken (vgl. gerechtshof Den Haag 4 mei 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:882). De door eiseres bepleite toezendplicht kan ook niet worden afgeleid uit artikel 6:17 van de Awb. Die bepaling regelt namelijk alleen, voor het geval er een gemachtigde is, aan wie stukken moeten worden gezonden, en niet welke stukken moeten worden gezonden.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning alsmede de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog zijn vastgesteld en is het beroep ongegrond verklaard.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”