Home

Gerechtshof Den Haag, 13-12-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2521, BK-22/00489

Gerechtshof Den Haag, 13-12-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2521, BK-22/00489

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13 december 2022
Datum publicatie
29 december 2022
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:2521
Zaaknummer
BK-22/00489
Relevante informatie
Art. 6:7 Awb, Art. 6:9 Awb, Art. 6:11 Awb, Art. 8:88 Awb, Art. 26c AWR

Inhoudsindicatie

Aanslag afvalstoffenheffing. Beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Bevoegdheid belastingrechter ten aanzien van de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding. Verzoek om schadevergoeding.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-22/00489

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 maart 2022, nummer SGR 21/3445.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag afvalstoffenheffing van de gemeente Den Haag opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 49 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar. De Rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om het beroep te beoordelen voor zover dat is gericht tegen het afwijzende besluit tot kwijtschelding van de verschuldigde afvalstoffenheffing.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 136. Belanghebbende heeft met dagtekening 17 augustus 2022, door het Hof ontvangen op 19 augustus 2022, een nader stuk ingediend. De Heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 oktober 2022, door het Hof ontvangen op 8 november 2022, een nader stuk ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 22 november 2022. De Heffingsambtenaar is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief, verzonden op 31 oktober 2022 naar het adres [adres, postcode, woonplaats] , onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd op de zitting te verschijnen. Blijkens door de griffier bij PostNL ingewonnen inlichtingen (Track & Trace) is de brief op 1 november 2022 op het adres uitgereikt.

Feiten

2.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2020 een aanslag afvalstoffenheffing van de gemeente Den Haag (de aanslag) opgelegd.

2.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Bij uitspraak van 30 april 2020 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Het beroepschrift is op 12 mei 2021 door de Rechtbank ontvangen.

2.4.

Belanghebbende heeft op 22 januari 2021 een verzoek om kwijtschelding van de verschuldigde afvalstoffenheffing gedaan. De directeur gemeentebelastingen heeft dat verzoek afgewezen.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:

De uitspraak op bezwaar

5. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begintop de dag na die van de dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).

6. Een beroepschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn door de rechtbank is ontvangen. Als het beroepschrift per post wordt verstuurd, is het ook tijdig ingediend wanneer het voor afloop van de termijn op de post is gedaan en door de rechtbank is ontvangen binnen een week na afloop van de termijn. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

7. De dagtekening van de uitspraak op bezwaar is 30 april 2020, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 11 juni 2020. Vast staat dat de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen op 12 mei 2021. Dit betekent dat het beroepschrift niet vóór het einde van de beroepstermijn is ontvangen en daarmee niet tijdig is ingediend.

8. Als iemand een beroepschrift te laat indient, moet de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het beroepschrift niet kan worden toegerekend aan eiseres. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd als reden voor het te laat indienen van het beroep gegeven dat zij diverse medische aandoeningen heeft waarvoor zij ook medische trajecten volgt en dat haar zoon de correspondentie met verweerder vertaalt waardoor het reageren op post langer kan duren. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding met bijna elf maanden. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was om, eventueel met hulp van een derde en zo nodig op nader aan te voeren gronden, tijdig beroep in te stellen. Het beroep dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dat betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.

Het verzoek om kwijtschelding

9. Voor zover eiseres heeft bedoeld beroep in te stellen tegen de uitspraak van de verweerder op het verzoek van eiseres om kwijtschelding van de aanslag, geldt dat de rechtbank niet bevoegd is daarover te oordelen in deze procedure. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dit zo is.

10. Op grond van artikel 231, eerste lid van de Gemeentewet geschiedt de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Invorderingswet 1990 (Iw). Kwijtschelding geschiedt krachtens artikel 26 Iw. In artikel 255, tweede lid, van de Gemeentewet is bepaald dat met betrekking tot het verlenen van kwijtschelding de krachtens artikel 26 Iw door de Minister van Financiën bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing zijn. In artikel 24 van de Uitvoeringsregeling IW is bepaald dat tegen een beslissing op een verzoek om kwijtschelding administratief beroep openstaat. Artikel 8:5, lid 2 van de Awb bepaalt dat tegen een besluit waartegen administratief beroep kan worden ingesteld geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. Tegen zo'n besluit kan namelijk uitsluitend een vordering bij de civiele rechter worden ingesteld. [voetnoot 1: Vgl. Hoge Raad 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2735]. Dit houdt in dat tegen de beslissing om geen kwijtschelding te verlenen geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. Op grond van het voorgaande is de rechtbank niet bevoegd te beoordelen of het verzoek terecht is afgewezen.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep voor zover het zich richt tegen de uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover het beroep zich richt tegen het afwijzende besluit tot kwijtschelding is de rechtbank onbevoegd om het beroep te beoordelen.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing