Home

Gerechtshof Den Haag, 13-12-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2641, BK-21/01035

Gerechtshof Den Haag, 13-12-2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2641, BK-21/01035

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13 december 2022
Datum publicatie
10 januari 2023
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2022:2641
Zaaknummer
BK-21/01035
Relevante informatie
Art. 22 Wet WOZ, Art. 17 Wet WOZ, Art. 7:10 Awb, Art. 8:75 Awb

Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Immateriële schadevergoeding. Geen verlenging van de redelijke termijn door de uitbraak van het coronavirus. Geen verlenging van de redelijke termijn in verband met verzoeken om uitstel door de gemachtigde voor de zittingen bij de Rechtbank.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-21/01035

in het geding tussen:

(gemachtigde: A. Bakker)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 september 2021, nummer SGR 20/4195.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2018 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 441.000 (de beschikking). Tegelijk met deze beschikking is de aanslag in de onroerende-zaakbelastingen van de gemeente Westland voor het jaar 2019 (de aanslag) opgelegd.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 48 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht van € 134 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 november 2022. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is gebouwd in 2000 en betreft een geschakelde twee-onder-een-kap-hoekwoning, met een carport boven de oprit voor een auto en een achtertuin. Achter de carport bevindt zich een inpandige berging met afzonderlijke ingang. In de achtertuin bevindt zich een vrijstaande stenen berging. Op de begane grond bevindt zich de woonkamer met keuken. De woonkamer, gesitueerd aan de achterzijde, loopt door langs een gedeelte van de zijkant van de woning door middel van een uitbouw, voorzien van glas tot aan de inpandige berging. Op de eerste verdieping bevinden zich een overloop, een toilet, een badkamer, een voorkamer en een achterkamer. Op de tweede verdieping bevinden zich een opstelplaats voor de cv-installatie en aan de voorzijde twee kamers. De grondoppervlakte van de woning bedraagt 244 m2. De Heffingsambtenaar heeft de totale bruto inhoud van het hoofdgebouw berekend op 550 m3. De bruto inhoud is bepaald inclusief binnen- en buitenmuren.

2.2.

De Heffingsambtenaar heeft een matrix overgelegd waarin de waarde van de woning voor het onderhavige belastingjaar is getaxeerd op € 441.000. In de matrix zijn verkooptransacties opgenomen met drie vergelijkingsobjecten. De gegevens van de vergelijkingsobjecten zijn als volgt:

Vergelijkings-object:

Bouw-

jaar:

Bruto-inhoud

Grond-oppervlakte:

Overige object-delen:

Verkoop-

prijs:

Leverings-datum:

[adres 2]

2004

510 m3

249 m2

garage,

aanbouw 40 m3 , aanbouw 15 m3

€ 454.000

15 januari 2018

[adres 3]

2006

549 m3

260 m2

garage, dakkapel

€ 525.000

1 mei 2018

[adres 4]

2004

740 m3

231 m2

Inpandige berging, carport

€ 479.000

24 april 2018

2.3.

Uit de matrix volgt dat voor voorzieningen, kwaliteit en onderhoud bij de woning in de matrix steeds factor ‘3’ is genomen (waarbij 3 staat voor voldoende/gemiddeld). Dat is hetzelfde bij de vergelijkingsobjecten [adres 2] en [adres 4] .

Aan [adres 3] zijn voor voorzieningen, kwaliteit en onderhoud respectievelijk de volgende factoren toegekend: 3-4-3, waarbij ‘4’ staat voor goed/boven gemiddeld. Elk punt dat afwijkt van het cijfer 3 leidt tot een verlaging respectievelijk verhoging van de m3-prijs, van € 25 bij kwaliteit, € 15 bij staat van onderhoud en € 20 bij voorzieningenniveau. Voor de ligging van de woning is in de matrix code 5 gehanteerd (95%). Bij de vergelijkingsobjecten is in de matrix code 6 voor ligging gehanteerd (100%). Code 6 duidt een normale ligging aan, terwijl code 5 leidt tot een verlaging van de geldende grondprijs van 5%.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“6. Eiseres bepleit een waarde van € 393.000. Zij stelt zich op het standpunt dat verweerder van onjuiste inhoud en objectkenmerken is uitgegaan. Verweerder heeft geen rekening gehouden met scheurvorming, de gedateerdheid van de woning, de kruising en met de twee toegangswegen tot de woonwijk waar ook vrachtverkeer gebruik van maakt. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met een 5% correctie voor de ligging zoals in een voorgaand jaar door verweerder is erkend.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder een taxatieverslag en een taxatiematrix met gegevens van de woning en een aantal vergelijkingsobjecten overgelegd. Tevens heeft verweerder het verslag van de in- en uitpandige opname op 5 juli 2018 meegestuurd.

8. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44).

9. Naar volgt uit het taxatieverslag en de daarbij gevoegde matrix, is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, te weten [adres 2] (verkocht op 30 november 2017 met transactieprijs € 454.000), [adres 3] (verkocht op 17 november 2017 met transactieprijs € 525.000) en [adres 4] (verkocht op 7 februari 2018 met transactieprijs € 479.000). De rechtbank acht deze vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar en daarmee bruikbaar als vergelijkingsobject, gelet op het type woning (allen 2-onder-1-kapwoningen), bouwjaar, inhoud, perceeloppervlakte en objectkenmerken. Blijkens de toelichting in het verweerschrift is verweerder voor zowel de woning als de door hem gehanteerde vergelijkingsobjecten uitgegaan van een uniforme meting, de bruto inhoud. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de door verweerder gehanteerde meetmethode niet tot een onjuiste uitkomst en bestaat er geen verplichting voor verweerder om, anders dan eiser betoogt, de zogenoemde BAG-oppervlakte te gebruiken bij de vaststelling van de WOZ-waarde van de woning. De toetssteen om de WOZ-waarde te bepalen blijft de waarde zoals omschreven in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ en die waarde kan ook op andere manieren worden bepaald.1 De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de door verweerder voor de woning gehanteerde bruto inhoud van 550 m³ te twijfelen. Dat verweerder daarbij de inpandige berging twee maal in de waardering heeft betrokken is niet gebleken. Uit de door verweerder overgelegde bouwtekening van de woning en de meetstaat blijkt dat verweerder de inpandige berging heeft meegerekend bij het bepalen van de totale bruto inhoud van de woning. Dit volgt ook uit de matrix, omdat voor de bruto inhoud van het hoofdgebouw is uitgaan van 550 m3 en de inpandige berging is gewaardeerd op € 1. De stenen berging is vervolgens afzonderlijk gewaardeerd.

10. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op het door hem overgelegde taxatieverslag en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. Voor de ligging heeft verweerder in het verweerschrift toegelicht dat deze met een cijfer tussen de 1 en 9 wordt aangeduid, waarbij een 6 als een gemiddelde ligging geldt. Uit de matrix volgt dat aan de vergelijkingsobjecten die gemiddelde ligging (6) is toegekend en dat aan de woning een cijfer van 5 is toegekend. Vanwege dit verschil is een correctie van 5% op de grondprijs toegepast. Voor zover sprake is van een ligging van de woning aan een drukke kruising, zoals eiseres betoogt, heeft verweerder hiermee voldoende rekening gehouden. Uit de matrix volgt voorts dat verweerder vanwege het hogere kwaliteitsniveau aan het vergelijkingsobject [adres 3] een VLOK-codering van 4 heeft toegekend en daarvoor ook een correctie van € 25 per kubieke meter heeft toegepast. Het kwaliteitsniveau van de woning en de andere vergelijkingsobjecten is als gemiddeld (3) beoordeeld. Verweerder heeft met de matrix en de toelichting daarop aannemelijk gemaakt dat bij de herleiding van de aan de woning toegekende waarde uit de bij de verkoop van de in de matrix genoemde vergelijkingsobjecten behaalde verkoopprijzen, in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning wat betreft onder meer bruto inhoud, kaveloppervlakte, ligging en kwaliteit van de opstallen.

11. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd, doet aan het hier boven gegeven oordeel niet af.

De taxateur heeft tijdens de in- en uitpandige opname van 5 juli 2018 voor de WOZ-waarde voor het jaar 2018 geconstateerd dat de scheurvorming alleen cosmetisch van aard is en geen waardedrukkend effect heeft. Dat dit wel het geval is voor het onderhavige jaar is door eiseres niet aannemelijk gemaakt.

12. Ter zitting heeft eiseres een verzoek gedaan tot vergoeding van immateriële schade vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad 19 februari 2016.2 Voor een uitspraak in eerste aanleg geldt dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan, als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt daarbij een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De rechtbank stelt vast dat verweerder het bezwaarschrift van eiseres heeft ontvangen op 23 maart 2019. Omdat de rechtbank op 7 september 2021 uitspraak doet, is de redelijke termijn van twee jaar overschreden met ruim 5 maanden.

13. In de periode vanaf maart 2020 werd de behandeling van ingediende beroepen ernstig belemmerd door de uitbraak van het coronavirus en de ter bestrijding van dat virus getroffen maatregelen. Als onderdeel van die maatregelen hebben bij deze rechtbank tijdelijk geen belastingzittingen plaatsgevonden en is de behandeling van ingediende beroepen op een bepaald moment langzaam weer opgestart middels schriftelijke afdoening en later door middel van telefonische zittingen en zogenoemde Skype-zittingen. Deze omstandigheden hebben tot een ernstige vertraging geleid in de behandeling van beroepszaken. Deze uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie maakt dat sprake is van een bijzondere omstandigheden. Eiseres heeft erop gewezen dat zij steeds bereid is geweest om deel te nemen aan een Skype-zitting. Nu ook de organisatie van Skype-zittingen en telefonische zittingen na de uitbraak van corona nog enige tijd op zich heeft laten wachten, betekent dit niet dat in het geval van eiseres geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Voorts heeft eiseres in bezwaar ingestemd met overschrijding van de wettelijke beslistermijn, ook dit vormt een bijzondere omstandigheid in voormelde zin.3 Door de instemming kan immers voor de op die instemming betrekking hebbende tijd niet worden gezegd dat sprake is van spanning en frustratie bij eiser. Bij e-mailbericht van 23 december 2019 heeft verweerder de beslisdatum op grond van artikel 7:10, lid 3, Awb verlengd tot 11 februari 2020. In het emailbericht van 6 februari 2020 heeft verweerder eiseres verzocht om in te stemmen met nader uitstel van de beslistermijn tot drie weken nadat het gerechtshof de uitspraak in het hoger beroep over de WOZ-waarde voor het jaar 2018 heeft verzonden. Nadat eiseres op 7 februari 2020 per email heeft ingestemd met uitstel van de beslistermijn, heeft zij op 28 april 2020 een ingebrekestelling gestuurd wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De rechtbank is van oordeel dat deze combinatie van omstandigheden meebrengt dat de redelijke termijn voor de gezamenlijke behandeling van bezwaar en beroep niet is overschreden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan eiseres een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning alsmede de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog zijn vastgesteld en dat het verzoek om vergoeding van immateriële schade niet wordt toegekend. Het beroep is ongegrond verklaard.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

1. Vgl. Hoge Raad 29 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8610 en gerechtshof Den Haag 26 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2600.

2 ECLI:NL:HR:2016:252.

3 Vgl. Hoge Raad van 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2600.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing