Home

Gerechtshof Den Haag, 14-06-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1133, 200.320.470/01 en 200.320.470/02

Gerechtshof Den Haag, 14-06-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1133, 200.320.470/01 en 200.320.470/02

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14 juni 2023
Datum publicatie
21 juni 2023
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:1133
Formele relaties
Zaaknummer
200.320.470/01 en 200.320.470/02

Inhoudsindicatie

Omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige onder lijfsdwang, uitvoerbaar bij voorraad. Geen contra-indicaties voor omgang bij de minderjarige. Wel bij de moeder bij wie inmiddels voor € 30.000,- aan dwangsommen zijn geïncasseerd. De toegepaste dwangmiddelen hebben dat tot op heden niet bewerkstelligd en voorzetting van deze dwangmiddelen kan niet zonder het risico te aanvaarden dat dit blijvend schade kan aanrichten bij de minderjarige. Hof houdt de zaak voor een half jaar aan in afwachting van traject bij Jeugdbescherming.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

zaaknummers : 200.320.470/01 en 200.320.470/02

zaaknummer rechtbank : C/10/640941 / JE RK 22-1568

beschikking van de meervoudige kamer van 14 juni 2023

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S. Imdahl te Rotterdam

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. S. van Donk te Rijswijk, Zuid Holland.

Als belanghebbende is aangemerkt:

Jeugdbescherming West Regio Zuid-Holland Zuid,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Rotterdam van 31 augustus 2022 en 18 november 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 22 december 2022 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 18 november 2022 (hierna: de bestreden beschikking). Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.320.470/01 (hierna ook: de hoofdzaak). Bij dat beroep heeft de moeder tevens een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking ingediend. Dit schorsingsverzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.320.470/02 (hierna ook: het schorsingsverzoek).

2.2

De vader heeft op 7 februari 2023 een verweerschrift ingediend.

2.3

Van de zijde van de gecertificeerde instelling is op 27 februari 2023 een reactie ingekomen.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 23 maart 2023 een e-mail met bijlagen;

- op 3 mei 2023 een e-mail met bijlagen;

van de zijde van de gecertificeerde instelling:

- op 12 mei 2023 een e-mail met bijlagen.

2.5

Bij journaalbericht van 3 mei 2023 heeft de advocaat van de moeder verzocht om [naam] , niet praktiserend kinder- en jeugdpsychiater, als deskundige aan de zitting deel te laten nemen. Bij journaalbericht van 4 mei 2023 heeft de advocaat van de vader namens de vader bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van [naam] . Het hof heeft het verzoek van de moeder - gelet op het bezwaar daartegen van de vader - afgewezen.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 16 mei 2023 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de advocaat van de moeder;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de gi 1] , [vertegenwoordiger van de gi 2] en [vertegenwoordiger van de gi 3] ;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De advocaat van de vader heeft pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

De moeder heeft het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017 (hierna te noemen: de minderjarige).

3.3

De rechtbank Rotterdam heeft de vader bij beschikking van 27 juni 2018 vervangende toestemming verleend om de minderjarige te erkennen. Bij deze beschikking heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaald dat de omgangsregeling als volgt zal zijn:

de vader wordt in de gelegenheid gesteld contact te hebben met de minderjarige bij het omgangshuis, waarbij tijdstippen, duur, aantal, frequentie en inhoud van de contacten worden bepaald door de medewerkers van het omgangshuis na overleg met de partijen.

3.4

Bij vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2019 is de moeder veroordeeld om binnen twee weken na betekening van het vonnis haar medewerking te verlenen aan het tot stand komen van omgang die inhoudt dat de vader:

- iedere week op woensdag of donderdag gedurende twee uur omgang heeft met de minderjarige;

- in de nabije omgeving van de woning van de moeder;

- in haar aanwezigheid of in de aanwezigheid van een derde in wie de moeder vertrouwen heeft, zoals haar broer, haar ouders of haar vriendin [vriendin] ,

en veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van € 250,- voor iedere keer dat zij niet aan voornoemde hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt.

3.5

Bij vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2019 is de vordering van de moeder om te bepalen dat er geen omgang tussen de vader en de minderjarige zal plaatsvinden totdat de rechter in de bodemprocedure anders bepaalt, afgewezen.

3.6

De minderjarige is op 5 september 2019 onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling, welke ondertoezichtstelling laatstelijk is verlengd tot 5 september 2023.

3.7

Bij de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 5 september 2019 is bepaald dat de minderjarige, in het kader van de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht, bij de vader zal zijn als volgt:

- minstens twee uur per week op een door partijen in overleg met de gecertificeerde instelling te bepalen dag en tijdstip in de nabije omgeving van de woning van de moeder;

- de moeder dient ervoor zorg te dragen dat de minderjarige (met behulp van een derde of door haarzelf) bij de omgang aanwezig is en zij dient eveneens de omgangsbegeleiding te organiseren. Indien de moeder dit niet kan realiseren, zal de omgang onbegeleid plaatsvinden.

Voorts is de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere keer dat zij niet voldoet aan voornoemde omgangsregeling, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt. De dwangsom zal komen te vervallen indien partijen en de gecertificeerde instelling tot andere afspraken komen.

3.8

Bij beschikking van 30 juni 2020 heeft de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam als voorlopige omgangsregeling bepaald - met inachtneming van een opbouwschema - dat de minderjarige elke week van donderdag 12:30 uur tot vrijdag 12:30 uur bij de vader verblijft, die hem daartoe zal ophalen en terugbrengen bij het kinderdagverblijf, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,- voor elke keer dat de moeder in gebreke blijft om aan de uitvoering van deze regeling te voldoen, tot een maximum van € 10.000,-.

3.9

Bij beschikking van 8 december 2020, verbeterd bij herstelbeschikking van 19 februari 2021, heeft de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat - met inachtneming van een opbouwschema - de minderjarige elke week van donderdag 10:00 uur tot 17:00 uur bij de vader verblijft, die hem daartoe zal ophalen en terugbrengen op het kantoor van de gecertificeerde instelling, en is de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere keer dat zij niet voldoet aan de in deze beschikking genoemde voorlopige omgangsregeling, tot een maximum van € 20.000,- is bereikt. De dwangsom zal komen te vervallen indien partijen en de gecertificeerde instelling tot andere afspraken komen. De beslissing tot het vaststellen van een definitieve omgangsregeling met de vader is aangehouden.

3.10

Bij beschikking van 14 april 2021 heeft dit hof de beschikking van de rechtbank van 8 december 2020, aangevuld bij herstelbeschikking van 19 februari 2021, bekrachtigd.

3.11

Bij beschikking van 26 oktober 2021 van de rechtbank Rotterdam is een omgangsregeling vastgesteld waarbij de gecertificeerde instelling de omgang tussen de minderjarige en de vader zal bepalen, met ingang van een door de gecertificeerde instelling te bepalen moment en in een door de gecertificeerde instelling te bepalen vorm, duur, frequentie en opbouw, een en ander met inachtneming van hetgeen onder 6.1.5, is overwogen:

“6.1.5:

De rechtbank acht het daarom op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] dat de moeder behandeld wordt voor haar problematiek, met als doel dat haar draagkracht voldoende toeneemt om de omgang tussen [minderjarige] en de vader te faciliteren, zodat [minderjarige] op zo kort mogelijke termijn onbelast contact kan hebben met zijn beide ouders. De rechtbank zal om die reden een omgangsregeling vaststellen waarbij de omgang met de vader wordt opgeschort tot een door de GI te bepalen moment (maar uiterlijk voor de duur van zes maanden) en de omgang daarna wordt hervat in een door de GI te bepalen vorm (begeleid of onbegeleid), duur, frequentie en opbouw. De rechtbank merkt daarbij op dat [minderjarige] recht heeft op omgang met de vader en het daarom van groot belang is dat de omgang niet langer uitblijft dan noodzakelijk. Van de GI wordt in het belang van [minderjarige] op dit punt een actieve houding verwacht. Op termijn kan naar het oordeel van de rechtbank worden toegewerkt naar een zogeheten weekendregeling (evenals gelijke verdeling van de vakanties).”

3.12

Bij inleidend verzoekschrift van 5 juli 2022 heeft de gecertificeerde instelling een verzoek bij de rechtbank Rotterdam tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige gedaan en tot het wijzigen van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gedaan, in die zin dat de omgangsregeling wordt opgeschort voor een voor de gecertificeerde instelling onbekende duur.

4 De omvang van het geschil

5 De motivering van de beslissing

6 De beslissing