Home

Rechtbank Rotterdam, 18-11-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:10792, C/10/640941 / JE RK 22-1568

Rechtbank Rotterdam, 18-11-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:10792, C/10/640941 / JE RK 22-1568

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18 november 2022
Datum publicatie
12 december 2022
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2022:10792
Formele relaties
Zaaknummer
C/10/640941 / JE RK 22-1568

Inhoudsindicatie

meervoudige kamer. Wijziging omgangsregeling. Oplegging dwangsom en beslissing is uitvoerbaar bij lijfsdwang

Uitspraak

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/640941 / JE RK 22-1568

Datum uitspraak: 18 november 2022

in de zaak van

gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,

betreffende

hierna te noemen: [naam kind01] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S. Imdahl, te Rotterdam,

hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S. van Donk, te Rijswijk.

In zijn adviserende taak is in deze procedure gekend:

hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van de kinderrechter van 31 augustus 2022 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- de briefrapportage met bijlagen van de GI van 7 oktober 2022, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum;

- het wijzigingsverzoek met bijlage namens de vader van 12 oktober 2022, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum;

- de ongedateerde brief van de GI, overgelegd ter zitting van 18 oktober 2022;

- de pleitaantekeningen van mr. S. Imdahl, overgelegd ter zitting van 18 oktober 2022.

Op 18 oktober 2022 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak met gesloten deuren behandeld.

Verschenen zijn: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de advocaat van de moeder; - een vertegenwoordiger van de Raad, [naam03] ; - twee vertegenwoordigers van de GI, [naam04] en [naam05] .

Opgeroepen en niet verschenen is de moeder.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind01] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind01] woont bij de moeder.

Bij beschikking van 5 september 2019 is [naam kind01] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 5 september 2023.

Sinds december 2019 vindt er geen omgang plaats tussen [naam kind01] en de vader.

Bij beschikking van 8 december 2020 is door de kinderrechter een voorlopige omgangsregeling bepaald, inhoudende dat:

met inachtneming van het hierna te noemen opbouw schema -de minderjarige elke week van donderdag 10:00 uur tot 17:00 uur bij de vader verblijft, die hem daartoe zal ophalen en terugbrengen op het kantoor van de gecertificeerde instelling;

de contacten zullen als volgt worden opgebouwd:

de eerste 2 weken (ingaande de week na 8 december 2020): op donderdag van 10:00 uur tot 12:00 uur, begeleid;

de twee weken hierna: op donderdag van 10:00 uur tot 12:00 uur, de verantwoordelijkheid ligt bij de gecertificeerde instelling om te bepalen of de omgang al dan niet onbegeleid kan;

hierna: zoals hierboven bepaald, van donderdag 10:00 uur tot 17:00 uur, onbegeleid;

bepaalt dat de overdrachtsmomenten zullen plaatsvinden op het kantoor van de Jeugdbescherming west .

Deze beschikking is door het gerechtshof Den Haag op 14 april 2021 bekrachtigd.

Bij beschikking van 26 oktober 2021 is de omgangsregeling opgeschort voor de duur van maximaal zes maanden, met dien verstande dat in deze periode:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, gevestigd te Dordrecht, zal de omgang tussen de minderjarige en de vader bepalen, met ingang van een door voornoemde instelling te bepalen moment en in een door die instelling te bepalen vorm, duur, frequentie en opbouw, een en ander met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 6.1.5, is overwogen;

6.1.5:

De rechtbank acht het daarom op dit moment het meest in het belang van [naam kind01] dat de moeder behandeld wordt voor haar problematiek, met als doel dat haar draagkracht voldoende toeneemt om de omgang tussen [naam kind01] en de vader te faciliteren, zodat [naam kind01] op zo kort mogelijke termijn onbelast contact kan hebben met zijn beide ouders. De rechtbank zal om die reden een omgangsregeling vaststellen waarbij de omgang met de vader wordt opgeschort tot een door de GI te bepalen moment (maar uiterlijk voor de duur van zes maanden) en de omgang daarna wordt hervat in een door de GI te bepalen vorm (begeleid of onbegeleid). duur, frequentie en opbouw. De rechtbank merkt daarbij op dat [naam kind01] recht heeft op omgang met de vader en het daarom van groot belang is dat de omgang niet langer uitblijft dan noodzakelijk. Van de GI wordt in het belang van [naam kind01] op dit punt een actieve houding verwacht, Op termijn kan naar het oordeel van de rechtbank worden toegewerkt naar een zogeheten weekendregeling (evenals gelijke verdeling van de vakanties).

De aangehouden verzoeken

Het verzoek van de GI

De GI verzoekt op basis van artikel 1: 265g Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling te wijzigen, in die zin dat de omgang dient te worden opgeschort voor een voor de GI onbekende duur. De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting is dit verzoek door de GI ingetrokken.

Het (gewijzigde) zelfstandige verzoek van de vader

De vader verweert zich tegen het verzoek van de GI ten aanzien van de omgangsregeling en verzoekt, na wijziging:

- primair: te bepalen dat de vader wordt belast met het eenhoofdig gezag en te bepalen dat het hoofdverblijf bij de vader zal zijn;

- subsidiair: een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten met het oog op een uithuisplaatsing van [naam kind01] bij vader, dan wel een neutraal pleeggezin;

- meer subsidiair: een omgangsregeling vast te leggen, opbouwend naar een weekendregeling en een gelijke verdeling van de vakanties en feestdagen onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,- per dag, althans een gedeelte daarvan, met een maximum van € 10.000,- voor iedere dag daaronder begrepen dagdeel dat de moeder in gebreke blijft. Indien de moeder na het verbeuren van de maximale dwangsom de omgangsregeling niet nakomt of frustreert, zal lijfsdwang worden opgelegd van een dag hechtenis voor iedere keer dat de moeder de omgangsregeling niet nakomt of frustreert.

Ter zitting van 31 augustus 2022 is namens de vader verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen om de rechtbank in deze zaak te adviseren.

Het zelfstandig verzoek van de moeder

De moeder verzoekt:

-

primair: te bepalen dat de man de omgang wordt ontzegd;

-

subsidiair: het verzoek zijdens de GI tot opschorting van de omgang toe te wijzen, en het opschorten van de omgang voor de duur van twee jaar vast te leggen, dan wel een andere periode die de rechtbank geraden acht;

-

alle verzoeken zijdens de vader af te wijzen.

De standpunten

De beoordeling

De beslissing