Gerechtshof Den Haag, 30-08-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1767, BK-22/00170
Gerechtshof Den Haag, 30-08-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1767, BK-22/00170
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 30 augustus 2023
- Datum publicatie
- 9 oktober 2023
- Zaaknummer
- BK-22/00170
- Relevante informatie
- Art. 2 BPB, Art. 17 WOZ, Art. 22 WOZ, Art. 40 WOZ, Art. 7:4 Awb
Inhoudsindicatie
Proceskostenvergoeding; de Rechtbank is ten onrechte uitgegaan van een wegingsfactor 0,5 (licht). Het Hof ziet geen aanleiding om het bedrag van de proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 2, Bbp te verminderen. Het hoger beroep is gegrond.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-22/00170
in het geding tussen:
(gemachtigde: G. Gieben)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 12 januari 2022, nummer ROT 20/4688.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2019 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 163.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (de aanslag).
De Heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 48 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 541,- te betalen aan eiser.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136.
Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. De griffier heeft partijen bij brief van 20 december 2022 bericht dat het Hof voornemens is een zitting achterwege te laten, tenzij partijen uiterlijk binnen twee weken na de dagtekening van voormelde brief laten weten dat zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben niet verzocht om een mondelinge behandeling. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een portiekflat met een inhoud van ongeveer 230 m3.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“Toezendplicht in bezwaar
1. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder heeft nagelaten de gevraagde grondstaffel en de taxatiekaart met de zogenoemde KOUDV- en liggingsfactoren tijdig vóór de hoorzitting te verstrekken. Verweerder betwist dit en verwijst naar de tijdens de hoorzitting gemaakte afspraak dat in de uitspraken op bezwaar de relevante gegevens, zoals de KOUDV-codes en de indexatie van de verkoopprijzen, worden genoemd en dat de grondstaffels op 16 juli 2020 per e-mail zijn verstrekt.
2. Op grond van artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verweerder verplicht het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken gedurende ten minste een week voorafgaand aan het horen ter inzage te leggen. Lid 3 van dat artikel bepaalt dat in de uitnodiging voor het horen dient te worden vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage liggen en lid 4 van dat artikel bepaalt dat een belanghebbende tegen vergoeding een afschrift van deze stukken kan verkrijgen. Op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ verstrekt de gemeenteambtenaar uitsluitend aan degene te wiens aanzien een WOZ-beschikking is genomen op verzoek een afschrift van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de tekst van artikel 7:4 Awb en uit de wetsgeschiedenis bij dit artikel kan niet worden afgeleid dat het bestuursorgaan in alle gevallen verplicht is de op de zaak betrekking hebbende stukken in de bezwaarfase op verzoek aan de belanghebbende toe te zenden (zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 5.7. van de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 15 juli 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1408). De wetgever heeft bewust een onderscheid gemaakt tussen een passieve informatie-verstrekking in bezwaar en een actieve informatieverstrekking in beroep (vergelijk ook rechtsoverweging 5.3. van de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 30 juni 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1878). Artikel 7:4 Awb vormt echter ook een belangrijke waarborg dat het bestuursorgaan een beslissing op bezwaar neemt op basis van feiten en gegevens die de belanghebbende heeft kunnen kennen en waarover de belanghebbende zich heeft kunnen uitlaten (vergelijk ook rechtsoverweging 4.12. e.v. van de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7246, zoals herhaald in de uitspraak van 30 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11117). Onder omstandigheden is het bestuursorgaan dan ook verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken op verzoek toe te zenden.
De hoorzitting van deze zaak heeft gezamenlijk met meerdere andere zaken telefonisch plaatsgehad. Uit de stukken kan niet worden opgemaakt of verweerder de grondstaffel per email aan eiser verstrekt heeft op de dag voorafgaand aan de zitting. Klaarblijkelijk was het voor verweerder mogelijk om de op de zaak betrekking hebbende stukken zoals de grondstaffel per email aan eiser te verstrekken. De rechtbank ziet niet in waarom verweerder dan niet (ook) de overige op de zaak betrekking hebbende stukken, waar eiser om gevraagd heeft, per email aan eiser heeft verschaft.
In het licht van de veranderende maatschappij, die vanwege corona op het digitale vlak ook nog in een stroomversnelling is geraakt, had dit dan ook op de weg van verweerder gelegen. (Zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 22 december 2021 rechtsoverweging 3.1., ECLI:NL:RBROT:2021:12862). Verweerder had dan ook de plicht de op de zaak betrekking hebbende stukken tijdig toe te zenden aan eiser en hij heeft hiervan niet kunnen afzien op grond van tijdens de hoorzitting tussen partijen gemaakte afspraken.
Verder had verweerder de gevraagde stukken op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ aan eiser tijdig moeten verstrekken. Dit artikel waarborgt dat de belanghebbende op zijn verzoek de gegevens ontvangt die ten grondslag liggen aan de vastgestelde WOZ-waarde. Het betreft in feite de motivering van de door verweerder genomen WOZ-beschikking.
Voor deze gegevens geldt een toezendplicht op verzoek. Een andere mogelijke uitleg van artikel 40, lid 2, Wet WOZ kan niet uit de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van dat artikel worden afgeleid (zie rechtsoverweging 4.23. en verder van de eerder genoemde uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 juli 2021, zoals herhaald in de uitspraak van 30 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11117).
4. Deze beroepsgrond slaagt.
5. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal nu beoordelen of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld en of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten kunnen worden.
Waardebepaling
6. In geschil is of verweerder de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2019 op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.
Eiser stelt dat dit het geval is en voert aan dat de waarde € 152.000,- bedraagt. Eiser stelt dat het bestreden besluit juist onderbouwt dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld door vergelijkingsobjecten te gebruiken die leiden tot een gemiddelde verkoopprijs van € 157.118,-. Ook de vergelijking met de drie beste vergelijkingsobjecten leidt tot een gemiddelde verkoopprijs van € 153.000. Tot slot heeft de identieke woning aan de [adres 2] een WOZ-waarde van € 152.000-.
Verweerder is van mening dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
7. De onroerende zaak is een portiekflat (bouwjaar 1965), met een wooninhoud van 230 m³.
8. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald op de waarde die eraan moet worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom ervan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet WOZ blijkt dat de WOZ-waarde gelijk dient te zijn aan de prijs die de meest biedende koper betaalt na de meest geschikte voorbereiding.
9. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. Verweerder heeft de waardebepaling onder meer onderbouwd door een matrix op te nemen in zijn verweerschrift voorzien van een korte toelichting en ook tijdens de zitting heeft verweerder een toelichting gegeven op de waardebepaling.
10. In het bestreden besluit hanteert verweerder een lijst met 17 verkochte appartementen aan de [straat] te [woonplaats] . De gemiddelde verkoopprijs van deze objecten bedraagt € 157.118,-, daar waar de WOZ-waarde van de onroerende zaak op € 163.000,- is gesteld. Verweerder geeft aan dat de vergelijkingsobjecten [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] als gehanteerd in de matrix, die alle een hoger dan de gemiddelde verkoopprijs hebben, passend zijn aangezien de vorige eigenaar/verkoper (een vastgoedbedrijf) in de onroerende zaak de keuken, de badkamer en de vloer heeft vervangen en dat de onroerende zaak geschilderd is. Verder zijn de kozijnen van de onroerende zaak van kunststof. Deze omstandigheden bij elkaar maken dat de woning te kwalificeren is als een bovengemiddelde woning wat tot uitdrukking komt in de waardebepaling. Eiser heeft deze feiten niet weersproken. Gelet hierop heeft verweerder de WOZ-waarde van €163.000,- niet te hoog vastgesteld.
11. Eiser stelt dat verweerder gebruikt heeft gemaakt van onjuiste referentieobjecten en verwijst daarbij naar de [adres 4] , [adres 6] en [adres 7] als juiste referentieobjecten.
In beginsel staat het verweerder vrij om een eigen keuze te maken in de vergelijkingsobjecten. Dat hoeft niet de best denkbare keuze te zijn, maar moet wel voldoende representatief zijn. Verweerder is dan ook niet gehouden de door eiser genoemde woningen te betrekken in zijn vergelijking.
12. Verder brengt eiser naar voren dat de woning aan de [adres 2] een lagere WOZ-waarde heeft, terwijl deze onroerende zaak identiek is. Nog daargelaten dat van dit object geen verkoopprijs bekend is en niet vastgesteld is dat het een identieke onroerende zaak is aangezien verweerder deze niet beoordeeld heeft, is de rechtbank van oordeel dat het vorenstaande geen reden geeft om de waarde te verlagen, omdat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, nu niet in een meerderheid van de gevallen een onjuiste waardering heeft plaatsgevonden.
13. Het beroep is gelet op overweging 3.1. en 3.2. gegrond. Omdat de waarde voor de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld, kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt zij op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 541,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 541,- en factor 0,5).
In dit geval krijgt eiser gelijk over zijn standpunt dat verweerder heeft nagelaten (de grondstaffel en) de taxatiekaart met de zogenoemde KOUDV- en liggingsfactoren tijdig vóór de hoorzitting te verstrekken, maar krijgt hij geen gelijk in zijn standpunt over de WOZ-waarde. Die wordt niet verlaagd. Omdat eiser gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, ziet de rechtbank op grond van artikel 2, lid 2, Bpb aanleiding de proceskostenvergoeding te verminderen. De rechtbank vindt het redelijk om de helft van de gebruikelijke vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand toe te kennen. Op grond van artikel 2, lid 2, Bpb, bestaat evenmin aanleiding om het door eiser overgelegde taxatierapport te vergoeden (voor zover eiser dat bedoelt te vragen), omdat het beroep slaagt op een geschilpunt dat losstaat van de waarde (vergelijk het Richtsnoer proceskostenvergoeding, zoals opgenomen bij de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 11 november 2021, ECLI:NL:GHDHA: 2021:2131).”