Gerechtshof Den Haag, 28-12-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2691, BK-22/1183
Gerechtshof Den Haag, 28-12-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2691, BK-22/1183
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 december 2023
- Datum publicatie
- 29 januari 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2022:10131, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- BK-22/1183
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 7:7 Awb
Inhoudsindicatie
Kennelijke fout uitspraak Rechtbank; (her)beoordeling in volle omvang door het Hof. Artikel 17, lid 2, Wet WOZ; waarde vrijstaande woning. Het Hof is, anders dan de Rechtbank, van oordeel dat alle door de Heffingsambtenaar aangedragen vergelijkingsobjecten in voldoende mate vergelijkbaar zijn met de woning. De Heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning niet te hoog vastgesteld. Belanghebbendes – niet onderbouwde – stellingen leiden niet tot een ander oordeel.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-22/1183
in het geding tussen:
(gemachtigde: D.A.N. Bartels)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 september 2022, nummer SGR 21/7599.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 1.419.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2021 opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (de aanslag).
De Heffingsambtenaar heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 49 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op 14 september 2023 en 3 november 2023 nadere stukken ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 november 2023. De Heffingsambtenaar is verschenen. De gemachtigde van belanghebbende en een lid van het Hof hebben per videoconferentie (MS Teams) deelgenomen aan de zitting, waarbij sprake was van een directe beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een vrijstaande woning uit 1939 met een garage. De bruto vloeroppervlakte van de woning is ongeveer 254 m2 en de oppervlakte van het perceel bedraagt ongeveer 780 m2.
De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de waarde een Waarderapport met een Waardeopbouw overgelegd. In het Waarderapport en de Waardeopbouw zijn gegevens opgenomen van de woning en van drie naar de opvatting van de Heffingsambtenaar vergelijkbare objecten (de vergelijkingsobjecten). Aan het Waarderapport en de Waardeopbouw ontleent het Hof de volgende gegevens:
|
Adres |
De woning |
[adres 2] |
[adres 3] |
[adres 4] |
|
Soort |
vrijstaande villa/ landhuis |
vrijstaande villa/ landhuis |
vrijstaande villa/ landhuis |
vrijstaande semibungalow |
|
bouwjaar |
1939 |
1922 |
1919 |
1924 |
|
L |
3 |
3 |
3 |
3 |
|
Oppervlakte m2 - woning - grond - garage vrijstaand - dakkapel - dakkapel - zomerhuisje / recreatiewoning |
254 780 25 |
197 945 18 2 5 |
228 970 30 |
140 1128 21 |
|
K/O/U/D/V - woning - grond - garage vrijstaand - dakkapel - dakkapel - zomerhuisje/ recreatiewoning |
3-3-3-3-3 3-3-3-3-3 3-3-3-3 |
4-3-3-3-3 3-3-3-3-3 3-3-3-3 3-3-3-3-3 3-3-3-3-3 |
3-3-3-3-3 3-3-3-3-3 3-3-3-3-3 |
5-3-5-3-3 3-3-3-3-3 3-3-3-3 |
|
Waarde - woning - waarde gecorrigeerd naar gemiddeld - grond - garage vrijstaand - dakkapel - dakkapel - zomerhuisje/ recreatiewoning |
€ 491.035 € 908.000 € 20.625 |
€ 418.926 € 380.842 € 1.007.000 € 15.375 € 2.700 € 6.000 |
€ 444.965 € 444.965 € 1.022.000 € 24.125 |
€ 409.836 € 273.224 € 1.094.400 € 25.000 |
|
Vastgestelde waarde |
€ 1.419.000 |
|||
|
Transportprijs |
€ 1.450.000 |
€ 1.615.000 |
€ 1.550.000 |
|
|
Transportprijs geïndexeerd |
€ 1.450.001 |
€ 1.491.090 |
€ 1.529.236 |
|
|
Datum |
04-12-2019 |
15-12-2020 |
05-02-2020 |
|
|
Prijs per eenheid |
€ 1.945,47 |
€ 1.933,21 |
€ 1.951,60 |
€ 1.951,60 |
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“5. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding" (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44).
6. Verweerder dient aannemelijk te maken dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op het overgelegde taxatieverslag, het waarderapport en hetgeen overigens is aangevoerd, hierin geslaagd. Naar volgt uit het taxatieverslag en het waarderapport is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. In het waarderapport wordt de woning vergeleken met de woningen aan de [adres 2] (verkocht op 4 december 2019 voor € 1.450.000), [adres 4] (verkocht op 5 februari 2020 voor € 1.550.000) en [adres 3] te [woonplaats] (verkocht op 15 december 2020 voor € 1.615.000). De rechtbank acht de vergelijkingsobjecten aan de [adres 2] en de [adres 3] te [woonplaats] goed bruikbaar, nu de woningen van hetzelfde type zijn als de onderhavige woning, een vergelijkbare ligging hebben, eenzelfde onderhoudstoestand hebben en dezelfde mate van voorzieningen hebben. Met de verschillen in oppervlakte, kwaliteit van de woning en uitstraling van de woning heeft verweerder voldoende rekening gehouden. Het object aan de [adres 4] te [woonplaats] acht de rechtbank minder goed bruikbaar als vergelijkingsobject, nu dit object een vakantie- en/of recreatiewoning betreft. Met het buiten beschouwing laten van dit object is overigens niet gebleken dat de vierkante meterprijs van € 1945,47 te hoog is vastgesteld. Verweerder heeft de waarde van de woning aan de hand van de overige twee referentieobjecten voldoende aannemelijk gemaakt.
7. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De stelling van eiseres dat verweerder heeft nagelaten de grondstaffels, taxatieverslagen en taxatiematrixen te verstrekken, vindt geen steun in de feiten. De grondstaffels zijn op 3 maart 2021 naar de gemachtigde van eiseres gestuurd en het taxatieverslag is op 9 augustus 2021 overgelegd aan de rechtbank en vervolgens doorgestuurd aan eiseres. Het waarderapport is op 22 augustus 2022 overgelegd aan de rechtbank en vervolgens doorgestuurd aan eiseres. De rechtbank gaat daarom ook aan deze grief voorbij. De stelling van eiseres dat verweerder heeft nagelaten de niet-geanonimiseerde gegevens van de vergelijkingsobjecten te verstrekken, vindt geen steun in de feiten. De vergelijkingsobjecten zijn in zowel het taxatieverslag als in de taxatiematrix aangeduid met hun adres. De gestelde gebrekkige onderhoudssituatie en lokale verpaupering dan wel verloedering heeft eiseres op geen enkele wijze toegelicht of gespecificeerd, zodat hieraan ook wordt voorbijgegaan. Tot slot stelt eiseres dat bij de waardebepaling ten onrechte geen dan wel onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen van de coronacrisis. Op de waardepeildatum was in Nederland echter nog geen sprake van een uitbraak van het coronavirus en dus ook niet van de gevolgen daarvan.
8. Eiseres heeft verder gesteld dat verweerder een verslag van de hoorzitting had moeten overleggen. De rechtbank overweegt dat artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat van het horen een verslag wordt gemaakt. Uit de parlementaire geschiedenis van de Awb volgt echter dat daarvan kan worden afgeweken als uit de uitspraak op bezwaar blijkt van hetgeen tijdens de hoorzitting is verhandeld. In de uitspraak op bezwaar staat een korte samenvatting vermeld van de hoorzitting. Hieruit blijkt, duidelijk wat er tijdens de hoorzitting is besproken. Niet gesteld of gebleken is dat dit een onjuiste weergave van het hoorgesprek is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan het ontbreken van een apart hoorverslag gevolgen te verbinden.
9. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond verklaard.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”