Home

Gerechtshof Den Haag, 27-09-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2707, BK-22/01345 en BK-22/01346

Gerechtshof Den Haag, 27-09-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2707, BK-22/01345 en BK-22/01346

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27 september 2023
Datum publicatie
5 februari 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:2707
Zaaknummer
BK-22/01345 en BK-22/01346
Relevante informatie
Art. 22 Wet WOZ, Art. 7:15 Awb, Art. 8:75 Awb

Inhoudsindicatie

De inhoud van de machtiging vormt een bijzondere omstandigheid die maakt dat kan worden getwijfeld aan de aanwezigheid van spanning en frustratie bij belanghebbende. Geen vergoeding van immateriële schade. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase niet kennelijk onredelijk gebruik gemaakt van haar procesrecht.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-22/01345 en BK-22/01346

in het geding tussen:

(gemachtigde: D.A.N. Bartels)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 9 december 2022, nummers ROT 21/1655 en 21/1658.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op waardepeildatum 1 januari 2019 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] , voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 167.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Rotterdam voor het jaar 2020 opgelegd.

1.2.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 Wet WOZ de waarde op de waardepeildatum van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 2] te [woonplaats] , voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 97.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Rotterdam voor het jaar 2020 opgelegd.

1.3.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het tegen de hiervoor genoemde beschikkingen en de aanslagen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 49. De beslissing van de Rechtbank luidt:

“De rechtbank:

-

verklaart het beroep in beide zaken ongegrond;

-

veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500,-;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 759;

-

gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoedt, zijnde € 49.”

1.5.

De Heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift en een nader stuk, met dagtekening 21 juni 2023, ingediend.

1.6.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 augustus 2023. De Heffingsambtenaar heeft aan de zitting deelgenomen via MS Teams, waarbij sprake was van een rechtstreekse beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief, verzonden op 19 juni 2023 naar het adres van de gemachtigde van belanghebbende, [naam kantoor gemachtigde] , [postadres] onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd op de zitting te verschijnen. Blijkens door de griffier bij PostNL ingewonnen inlichtingen (Track & Trace) is de brief op 20 juni 2023 afgehaald bij het PostNL-punt. Het Hof heeft aan het einde van de mondelinge behandeling het onderzoek gesloten. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.7.

Belanghebbende heeft bij brief van 1 augustus 2023, bij het Hof ingekomen op 2 augustus 2023, verzocht het onderzoek te heropenen. Het Hof heeft geen aanleiding hiervoor gezien en het verzoek afgewezen.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft bij brieven, met dagtekening 5 maart 2020 en 12 maart 2020, bezwaar gemaakt tegen de onder 1.1 en 1.2 opgenomen beschikkingen en aanslagen.

2.2.

Bij brieven, met dagtekening 5 juni 2020 en 8 juni 2020, deelt de Heffingsambtenaar aan belanghebbende mede dat hij voornemens is de bezwaarschriften tegen de onder 1.1 respectievelijk 1.2 genoemde beschikkingen en aanslagen niet-ontvankelijk te verklaren. De brieven vermelden:

“(…)

Beoordeling ontvankelijkheid

Nu het bezwaarschrift met dagtekening (…) op 14 april 2020 is ingekomen, derhalve buiten de bezwaartermijn, is uw bezwaar niet tijdig ingediend. De gemeente is dan ook voornemens uw bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Van reden dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding is tot dusverre de gemeente niet gebleken (artikel 6:11 van de Awb).

Voordat de gemeente uitspraak doet stelt zij u in de gelegenheid om aan te geven waarom u het bezwaar buiten de termijn heeft ingediend om zo definitief te kunnen beoordelen of er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Uw reactie ziet de gemeente graag binnen drie weken na dagtekening van deze brief tegemoet. Bij gebreke van dien zal definitief tot niet-ontvankelijkverklaring worden overgegaan.

(…)”

2.3.

Bij e-mailberichten, van 6 juni 2020 respectievelijk 10 juni 2020, reageert belanghebbende als volgt:

“(…)

Elke daarvoor in aanmerking komende dag doe ik (zelf dus) steeds tijdig de post in de brievenbus van Post.Nl. Dát kun je ondermeer afleiden uit de datering van het bezwaarstuk zelf én het reguliere poststempel op de envelop alsmede alle andere door Post.Nl op de enveloppe aangebrachte postale codes en wat dies meer zij.

Stuur je mij aub begin volgende week kopie van de door jou ontvangen enveloppe van mij toe én dan wel svp van de beide zijden? En MET het poststempel LEESBAAR dus graag!

(…)”

2.4.

Bij brief van 9 juli 2020 stelt de Heffingsambtenaar belanghebbende nogmaals in de gelegenheid om te reageren op het voornemen om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Deze brief vermeldt:

“Bij schrijven van 5 juni jongstleden heeft Belastingen Rotterdam u in de gelegenheid gesteld om aan te geven waarom u het bezwaar buiten de termijn heeft ingediend om zo definitief te kunnen beoordelen of er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding (zie bijlage).

Helaas heb ik tot op heden geen reactie van u mogen vernemen. Wellicht is een en ander aan uw aandacht ontschoten. Hierbij stel ik u nogmaals in de gelegenheid om binnen twee weken aan te geven waarom u het bezwaar buiten de termijn heeft ingediend. Met nadruk wijs ik u erop dat bij gebreke van dien definitief tot niet-ontvankelijk verklaring zal worden overgegaan.
(…).”

2.5.

Bij brieven van 9 februari 2021 en 16 februari 2021 heeft de Heffingsambtenaar uitspraken op bezwaar gedaan. In beide uitspraken op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het volgende opgenomen:

“Geconstateerd is dat uw bezwaarschrift buiten de daarvoor geldende termijn is ingediend. Op 26 mei 2020 is aan u daarom een brief gestuurd om te bezien of hiervoor een verschoonbare reden is, waarop door u is gereageerd op 6 juni en 11 juli jl.. Gebleken is echter dat er geen verschoonbare reden is om uw bezwaar ontvankelijk te verklaren. (…).”

2.6.

Belanghebbende heeft een tot de stukken van het geding behorende volmacht, gedateerd op februari/maart/april 2021, verleend:

“Deze volmacht wordt door mij verstrekt en ondertekend om [naam kantoor gemachtigde] in de persoon van Mr. [naam gemachtigde] (…) de mogelijkheid én toestemming te geven om voor de belangen op te komen van alle door mij gecontroleerde rechtspersonen (…).

(…)

Onder deze machtiging wordt ook uitdrukkelijk geschaard de bevoegdheid om de van de gemeente c.q. het fiscale samenwerkingsverband (waarbij de gemeente is aangesloten) bij (gedeeltelijke) gegrondverklaring te ontvangen bijdrage c.q. tegemoetkoming in de door mij noodzakelijkerwijs te maken proceskosten te laten storten op IBAN (…) t.n.v. [naam kantoor gemachtigde] (…). Ondergetekende draagt al zijn/haar bestaande en toekomstige vorderingen uit hoofde van proceskostenvergoedingen als bedoeld in de artikelen 7:15 en 8:75 Awb waarbij [naam kantoor gemachtigde] is opgetreden als gemachtigde over aan [naam kantoor gemachtigde] en gelast hierbij de gemeente c.q. het fiscale samenwerkingsverband c.q. de Ministerie van Justitie en Veiligheid om de proceskostenvergoeding rechtstreeks over te maken aan [naam kantoor gemachtigde] op voormeld IBAN. Mutatis mutandis geldt dat ook voor alle andere daarmee gelijk te stellen (proces)kostenvergoedingen, waaronder de immateriële vanwege onredelijke termijnoverschrijdingen. (…)

(…).”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover relevant in hoger beroep, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

Immateriële schadevergoeding redelijke termijn

2.1

Eiser heeft in beide zaken verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens schending van de redelijke termijn.

2.2

Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn begint als regel te lopen op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140).

2.3

Het bezwaarschrift is in beide zaken ontvangen op 14 april 2020. De uitspraken op bezwaar zijn gedagtekend 9 februari 2021 (21/1655) en 16 februari 2021 (21/1658). De rechtbank doet uitspraak op 9 december 2022.

Voor een veroordeling van de Staat tot vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor beroep ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit uitspraken en procedures van [gemachtigde] als gemachtigde, in Rotterdam en elders, naar voren komt dat hij zodanig veel zaken aanbrengt dat zijn beschikbaarheid voor zittingen bij de rechtbank in het gedrang komt. Zo ook bij plannen van een zitting in beroep in de onderhavige zaak. De rechtbank heeft voor de zaken die op de zitting van 20 oktober 2022 zijn behandeld in de periode van april tot en met oktober van 2022 bij zes gelegenheden (in totaal) 25 zittingsdata voorgesteld. In zijn reacties heeft [gemachtigde] aangegeven (in totaal) slechts op vijf van de voorgestelde data aanwezig te kunnen zijn. Dit levert een beschikbaarheidspercentage op van 20%. Dat is – bij de grote hoeveelheid zaken waarin [gemachtigde] optreedt - zo weinig, dat het een – aan [gemachtigde] toe te schrijven - bijzondere omstandigheid oplevert die verlenging van de redelijke termijn met minimaal vier maanden rechtvaardigt. De rechtbank wijst daarom het verzoek tot immateriële schadevergoeding slechts toe voor één periode van zes maanden.

Nu de vertraging niet is toe te rekenen aan de beroepsfase dient verweerder de vergoeding voor immateriële schade (€ 500,-) te betalen.

Proceskosten

3. De rechtbank vindt in de omstandigheid dat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, aanleiding verweerder en de Staat te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de vergoeding enkel plaatsvindt in verband met de toekenning van een vergoeding van immateriële schade, is de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak gesteld op 0,5 (Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660). Daarnaast heeft belanghebbende recht op vergoeding van het door hem betaalde griffierecht.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing