Home

Gerechtshof Den Haag, 28-12-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2773, BK-22/612

Gerechtshof Den Haag, 28-12-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2773, BK-22/612

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28 december 2023
Datum publicatie
25 maart 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:2773
Zaaknummer
BK-22/612
Relevante informatie
Art. 22 Wet WOZ, Art. 6:7 Awb, Art. 6:8 Awb, Art. 6:11 Awb

Inhoudsindicatie

Het Hof acht aannemelijk dat het bezwaarschrift tijdig ter post is bezorgd. Het is van oordeel dat op grond van wat de Heffingsambtenaar heeft aangevoerd de ontvangst van het bezwaarschrift redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift op het adres van de Heffingsambtenaar is ontvangen of aangeboden, dan wel dat het hem anderszins heeft bereikt. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-22/612

in het geding tussen:

en

de heffingsambtenaar van Gemeentebelastingen en Basisinformatie Drechtsteden, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 27 mei 2022, nummer ROT 21/1727.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen van 29 februari 2020 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarden op 1 januari 2020 van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [adres 1] en [adres 2] , beide te [woonplaats] (de onroerende zaken) voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld (de beschikkingen). Tegelijk met de beschikkingen zijn aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen van de [gemeente] voor het jaar 2020 (de aanslagen) opgelegd.

1.2.

Bij brieven van 28 maart 2020 heeft de Heffingsambtenaar de WOZ-waarden van de onroerende zaken ambtshalve verlaagd en de aanslagen verminderd.

1.3.

Bij uitspraken op bezwaar met dagtekening 11 februari 2021 heeft de Heffingsambtenaar het tegen de beschikkingen en de aanslagen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar ambtshalve beoordeeld en de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 49. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Bij uitspraak na vereenvoudigde behandeling van 15 december 2022 heeft het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 19 januari 2023 heeft het Hof zijn uitspraak van 15 december 2022 vervallen verklaard en bepaald dat het geding wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond toen de uitspraak van 15 december 2022 werd gedaan.

1.7.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 31 oktober 2023, gehouden te Den Haag. Belanghebbende is wel, doch de Heffingsambtenaar is niet verschenen. De Heffingsambtenaar heeft de griffier telefonisch meegedeeld wegens ziekte niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en heeft daarbij niet om uitstel van de zitting verzocht. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Het aanslagbiljet met daarop onder meer de beschikkingen en de aanslagen is gedagtekend 29 februari 2020.

2.2.

Belanghebbende heeft op 3 maart 2020 twee brieven, gedagtekend 26 februari 2020, ontvangen van de Heffingsambtenaar waarin hij meedeelt dat hij bij de waardebepaling van de onroerende zaken alsnog rekening zal houden met de VvE-reserve.

2.3.

Bij brieven van 28 maart 2020 heeft de Heffingsambtenaar aan belanghebbende meegedeeld de waarden van de onroerende zaken overeenkomstig de brieven van 3 maart 2020 te hebben gewijzigd. De Heffingsambtenaar heeft de waarden verminderd met 2% en de aanslagen dienovereenkomstig verminderd. Belanghebbende heeft deze brieven op 3 april 2020 ontvangen.

2.4.

Bij brief van 1 juli 2020 heeft de invorderingsambtenaar van de [gemeente] aan belanghebbende meegedeeld dat hij de aanslagen nog niet heeft betaald.

2.5.

De brief van belanghebbende met dagtekening 6 juli 2020 is door hem aangeduid als "Aanvulling Bezwaar WOZ-beschikking d.d. 30 maart 2020 betreffende de volgende adressen:

-

[adres 1] , [postcode 1] , [woonplaats]

-

[adres 2] , [postcode 2] , [woonplaats] "

Deze brief is op 8 juli 2020 ontvangen door de Heffingsambtenaar. Bij de brief is een kopie van een bezwaarschrift met dagtekening 30 maart 2020 gevoegd. De kopie vermeldt in de rechterbovenhoek "verz. 31/3/2020".

2.6.

Belanghebbende heeft op 12 november 2020 telefonisch contact gehad met mevrouw [A] , medewerkster van Gemeentebelastingen en Basisinformatie Drechtsteden.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft het volgende geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

”1. In geschil is of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit geval 1 maart 2020. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde op 14 april 2020. Het bezwaarschrift is ontvangen op 8 juli 2020.

3. Eiser stelt dat hij op 31 maart 2020 een bezwaarschrift, gedagtekend op 30 maart 2020, naar verweerder heeft gezonden. Verweerder stelt dit bezwaarschrift bij die gelegenheid niet te hebben ontvangen. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet, dat zijn vaste beleid is om - bij discussie over de datum van verzending van stukken door bezwaarmakers - alleen op grond van objectief bewijs aan te nemen, dat post op een andere (eerdere) datum is verzonden, dan blijkt uit de datum van ontvangst door verweerder.

4. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het bezwaarschrift op dat adres. Dit brengt mee dat eiser in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres (vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416). De enkele stelling van eiser dat hij het bezwaarschrift heeft verzonden - dus: zonder zulk bewijs - en dat verweerder zijn administratie niet op orde heeft is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft zijn stelling niet nader onderbouwd met objectieve gegevens.

5. Gelet hierop is het naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat eiser reeds op 31 maart 2020 bezwaar heeft ingesteld. Nu het bezwaarschrift van 8 juli 2020 na het einde van de bezwaartermijn is ontvangen, heeft eiser niet tijdig bezwaar ingesteld.

6. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Eiser heeft geen reden gegeven voor deze termijnoverschrijding. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.

7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit maakt dat de rechtbank de zaak niet inhoudelijk zal beoordelen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing