Gerechtshof Den Haag, 06-04-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:908, BK-22/00493
Gerechtshof Den Haag, 06-04-2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:908, BK-22/00493
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 6 april 2023
- Datum publicatie
- 30 mei 2023
- Zaaknummer
- BK-22/00493
- Relevante informatie
- Art. 2 BPB, Art. 3 BPB, Art. 22 WOZ, Art. 8:75 Awb
Inhoudsindicatie
Artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
De Heffingsambtenaar is bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar afgeweken van de forfaitaire regeling van het Bpb en van de in de bijlage opgenomen lijst met punten per proceshandeling en heeft bij de berekening daarvan slechts 0,5 punt toegekend voor de hoorzitting. Het Hof oordeelt dat de Heffingsambtenaar niet voldoet aan de op hem rustende bewijslast dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, Bpb die een afwijking van de forfaitaire regeling rechtvaardigen.
Uitspraak
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-22/00493
in het geding tussen:
(gemachtigde: G. Gieben)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 31 maart 2022, nummer ROT 21/4792.
Procesverloop
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 409.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2021 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Molenlanden (de aanslag).
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de waarde van de woning verminderd tot € 392.000, de aanslag dienovereenkomstig verminderd en een proceskostenvergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten toegekend van € 397,50.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 49. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 februari 2023. Partijen zijn verschenen. Ter zitting zijn tevens behandeld de hoger beroepen van vier andere cliënten van de gemachtigde met de kenmerken BK-22/00494 tot en met BK-22/00497. Al hetgeen in de ene zaak is aangevoerd of overgelegd wordt, voor zover van belang, ook geacht in de andere zaak te zijn aangevoerd of overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Tijdens een telefonisch hoorgesprek, dat heeft plaatsgevonden op 17 mei 2021, zijn in totaal 51 bezwaarschriften van cliënten van gemachtigde behandeld. Een verslag van dit hoorgesprek behoort tot de gedingstukken.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en aanslag gemaakte bezwaar gegrond verklaard en een proceskostenvergoeding toegekend van € 397,50. Dit bedrag is als volgt berekend: 1 punt à € 265 met een wegingsfactor van 1 voor het gewicht van de zaak voor het indienen van het bezwaarschrift en 0,5 punt à € 265 met een wegingsfactor van 1 voor het gewicht van de zaak voor de hoorzitting in bezwaar.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“4. De rechtbank stelt vast dat er geen nadere afspraken zijn gemaakt tussen verweerder en deze gemachtigde over vergoeding van kosten in de bezwaarfase bij een gegrond bezwaar over het belastingjaar 2021. Hieruit volgt dat het Bpb van toepassing is.
5. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb kan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken van de forfaitaire bedragen.
6. Uit de Nota van Toelichting bij het Bpb, Stb. 1993, 763, volgt dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden in het Bpb is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken.
De rechter kan daarom in gevallen waarin sprake is van bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen, aldus deze toelichting.
Verder wordt aldaar opgemerkt dat hierbij geen afbreuk mag worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten. Voorts wordt benadrukt dat er werkelijk sprake moet zijn van een uitzondering.
7. Gelet op deze toelichting dient de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden terughoudend te worden toegepast. Voor een afwijking van de forfaitaire regeling is aanleiding als het voor elke individuele zaak vasthouden aan die regeling leidt tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen de omstandigheid dat de vergoedingen op grond van het Bpb het karakter hebben van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten.
8. De beantwoording van de vraag of sprake is van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het Bpb kan naar het oordeel van de rechtbank per proceshandeling worden beoordeeld.
9. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaar van eiser samen met andere bezwaren, in totaal 51 bezwaren, tijdens een telefonische/online hoorzitting is besproken.
Dit op verzoek van eisers gemachtigde.
Verder is niet weersproken dat de hoorzitting in totaal ca 210 minuten heeft geduurd, zodat dit betekent dat de behandeling per bezwaarschrift ongeveer 3 minuten heeft geduurd.
Eiser heeft tegen de duur van de hoorzitting en de duur van de behandeling per bezwaarschrift geen gronden gericht, zodat de rechtbank van 210 minuten (en 3 minuten per bezwaarschrift) uitgaat.
Ook acht de rechtbank evenals verweerder een voorbereidingstijd per zaak van gemiddeld 25 minuten redelijk. Dat dit meer zou moeten zijn is door eiser niet nader onderbouwd. Evenmin heeft eiser gesteld en nader onderbouwd dat de voorbereidingstijd van de onderhavige zaak meer dan 25 minuten zou hebben geduurd.
In totaal wordt er dus van uitgegaan dat er door de gemachtigde van eiser 28 minuten per bezwaarzaak is besteed.
10. In elk van de gegronde bezwaarzaken op deze hoorzitting heeft verweerder 0,5 punt toegekend voor het bijwonen van de hoorzitting (€ 132,50).
De rechtbank is van oordeel dat eiser met deze door verweerder betaalde proceskostenvergoeding niet is benadeeld. Het toepassen van de zuiver forfaitair bepaalde vergoeding leidt naar het oordeel van de rechtbank tot een dermate disproportionele vergoeding dat er aanleiding bestaat om deze vergoeding op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb te matigen. De rechtbank merkt hierbij de werkwijze die verweerder – mede op verzoek van de gemachtigde van eiser – hanteert, om meerdere zaken van eenzelfde gemachtigde op eenzelfde hoorzitting te plannen, aan als een bijzondere omstandigheid. Deze werkwijze leidt voor de gemachtigde van eiser tot een beperking van het aantal uren dat moet worden geïnvesteerd in de totale hoorzitting en dus tot aanmerkelijk meer efficiency. De rechtbank stelt de vergoeding voor de aanwezigheid op de (telefonische/online) hoorzitting – onder de hiervoor beschreven omstandigheden – vast op 0,5 punt.
11. Het beroep is in zoverre ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”