Home

Gerechtshof Den Haag, 03-09-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2087, BK-23/898

Gerechtshof Den Haag, 03-09-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2087, BK-23/898

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
3 september 2024
Datum publicatie
21 november 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:2087
Zaaknummer
BK-23/898
Relevante informatie
Art. 225 Gemw

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Art. 225, lid 2, Gemeentewet. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onmiddellijk laden en lossen.

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-23/898

in het geding tussen:

(gemachtigde: N.G.A. Voorbach)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 24 augustus 2023, nummer ROT 22/5280.

Procesverloop

1.1.

Belanghebbende is met dagtekening 22 januari 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van gemeente Rotterdam opgelegd van € 69,10 bestaande uit € 2,60 parkeerbelasting en € 66,50 kosten voor het opleggen van een naheffingsaanslag.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar tegen de naheffingsaanslag heeft de Heffingsambtenaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is € 50 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft als volgt beslist:

“De rechtbank:

-

verklaart het beroep ongegrond;

-

wijst het verzoek om schadevergoeding af.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspaak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is € 136 griffierecht geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 23 juli 2024. De Heffingsambtenaar is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen en geen bericht van verhindering binnengekomen. Belanghebbende is door de griffier bij een digitaal verzonden bericht onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. Blijkens de bij dit bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het Hof is het bericht op 5 juli 2024 om 11:15 uur verzonden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Op maandag 10 januari 2022 om 11:48 uur stond de auto van belanghebbende met het kenteken [kenteken] (de auto) aan de [straat] te [woonplaats] . Deze locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam aangewezen als een plaats waar op maandag tot en met zaterdag van 09:00 uur tot 23:00 en op zondag van 12:00 uur tot 23:00 uur parkeerbelasting is verschuldigd of met een geldige parkeervergunning geparkeerd dient te worden.

2.2.

Tijdens een controle is met behulp van een scanauto geconstateerd dat op de genoemde datum en het genoemde tijdstip geen parkeerbelasting was voldaan en dat geen sprake was van parkeren met een geldige parkeervergunning. Om deze reden is door de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag opgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Heffingsambtenaar als verweerder:

”3.1. Op grond van artikel 225, tweede lid van de Gemeentewet wordt onder parkeren verstaan ‘het gedurende een aangesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.’ De Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2022 (de verordening) kent eenzelfde definitiebepaling.

3.2.

Op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de verordening wordt onder de naam “parkeerbelasting” geheven: een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze.

3.3.

Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 1999 (ECLI:NL:HR:1999:AA2760) en 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:445) volgt dat onder “onmiddellijk laden en lossen” dient te worden verstaan het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht.

4. Eiseres stelt dat sprake was van laden en lossen. Zij moest naar 4 hoog om eten naar haar dochter te brengen, die in quarantaine zat vanwege corona. Eiseres is hartpatiënt, zodat zij niet heel snel kon gaan. Zij is niet naar binnen gegaan, heeft alles afgegeven en is gelijk weer weggereden.

Eiseres stelt verder dat verweerder slechts een foto heeft overgelegd, terwijl zij consistent en onderbouwd heeft betoogd dat sprake was van onmiddellijk laden en lossen. Onder verwijzing naar een arrest van het Hof Amsterdam van 1 december 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:3283) stelt eiseres dat verweerder onvoldoende heeft onderkend dat bij de vraag of het belastbare feit zich heeft voorgedaan, het geheel aan feiten en omstandigheden van belang is en niet uitsluitend wat zichtbaar is op de foto.

5. Verweerder heeft zich in het verweerschrift - samengevat weergegeven - op het standpunt gesteld dat sprake is van ‘parkeren’ in de zin van de Verordening. Hiertoe heeft verweerder een zogenoemd HAS-rapport overgelegd, met daarin opgenomen foto’s gemaakt door de scanauto. Op deze foto’s is volgens verweerder geen laad- of losactiviteit waar te nemen. Op eiseres rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake was van het laden en/of lossen van goederen van enig omvang of gewicht die bezwaarlijk anders dan per voertuig kunnen worden vervoerd. Verweerder verwijst naar de uitspraak van rechtbank Amsterdam van 28 mei 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:3802) waarin de rechtbank heeft bepaald dat niet aannemelijk is gemaakt dat de maaltijdboxen van enige omvang of gewicht waren. Eiseres is met haar enkele verklaring dat zij eten heeft afgegeven volgens verweerder niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd.

6. De rechtbank stelt voorop dat de definitie van ‘laden- of lossen’ voor een burger, zoals eiseres, in het normale spraakgebruik kan verschillen van de juridische definitie. De rechtbank is evenwel gehouden om de zaak binnen de juridische kaders te beoordelen. Binnen die kaders oordeelt de rechtbank als volgt. Op de door verweerder overgelegde foto’s van de scanauto is te zien dat de auto met kenteken [kenteken] stil staat met gesloten portieren en kofferbak en zonder personen in de directe omgeving daarvan. Aanwijzingen die duiden op een laad-of losbeweging zijn hierop niet zichtbaar. Bij deze stand van zaken rust op eiseres de bewijslast om vervolgens de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat sprake is geweest van ‘onmiddellijk laden en lossen’ als hiervoor bedoeld in de arresten van de Hoge Raad. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op het moment dat de scanauto langsreed sprake was van het onmiddellijk in- of uitladen. Immers, eiseres heeft verklaard dat zij (een krat) eten bij haar dochter (en diens huisgenoten) heeft bezorgd op de 4e etage, zodat daarmee is gegeven dat de auto niet enkel heeft stil gestaan gedurende de tijd die nodig was om het eten uit te laden (vgl. het arrest van het Hof Amsterdam van 20 april 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1014). Daarbij heeft eiseres gesteld dat zij (per trap) naar 4 hoog moest en hartpatiënt is, waardoor het niet heel snel gaat. De rechtbank heeft begrip voor deze (vervelende) persoonlijke omstandigheden van eiseres, maar tegelijkertijd kan onder die – eiseres bekende - omstandigheden evenmin worden geoordeeld dat sprake was van het onmiddellijk in- of uitladen in juridische zin.

7. Het beroep is daarom ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

9. De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat verweerder over het griffierecht en de proceskosten wettelijke rente is verschuldigd, nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak, tot aan de dag van algehele voldoening. Nu het beroep ongegrond is verklaard, wijst de rechtbank dat schadevergoedingsverzoek af.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten

Beslissing