Home

Gerechtshof Den Haag, 03-04-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:536, BK-23/371

Gerechtshof Den Haag, 03-04-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:536, BK-23/371

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
3 april 2024
Datum publicatie
6 mei 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:536
Zaaknummer
BK-23/371
Relevante informatie
Art. 7:15 Awb, Art. 6 EVRM

Inhoudsindicatie

Zuiveringsheffing 2021. Voorlopige aanslag zuiveringsheffing van horecapand in bezwaar verminderd met 40% wegens coronamaatregelen. Rechtbank heeft op goede gronden de voorlopige aanslag niet verder verlaagd en terecht geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. Hoger beroep ongegrond

Uitspraak

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-23/371

in het geding tussen:

(gemachtigde: D.A.N. Bartels)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 7 april 2023, nummer ROT 22/524.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte van het [Hoogheemraadschap] opgelegd ten bedrage van € 3.917,65.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de voorlopige aanslag bezwaar gemaakt; het bezwaarschrift is door de Heffingsambtenaar ontvangen op 9 april 2021. De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de voorlopige aanslag verminderd tot een bedrag van € 1.580,15.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Van belanghebbende is € 50 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een vergoeding voor immateriële schade afgewezen.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Voor de behandeling van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 136. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Op 15 januari 2024 zijn nadere stukken ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 21 februari 2024. De gemachtigde van belanghebbende is verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft in 2021 het gebruik van de bedrijfsruimte [adres 1] ( [adres a] + [adres b] ; hierna [adres 1] ) te [woonplaats] .

2.2.

De voorlopige aanslag zuiveringsheffing 2021 ten bedrage van € 3.917,65 is opgelegd op 31 maart 2021 voor het afvoeren van afvalwater uit deze bedrijfsruimte en is berekend naar 41,90 vervuilingseenheden. Het aantal vervuilingseenheden komt overeen met het aantal dat is opgenomen in de definitieve aanslag zuiveringsheffing voor het jaar 2019 die op 30 juni 2020 is opgelegd. Op het moment van het opleggen van de voorlopige aanslag was de bedrijfsruimte gesloten vanwege Corona-maatregelen.

2.3.

Bij uitspraak op bezwaar van 18 december 2021 is het aantal vervuilingseenheden waarnaar de voorlopige aanslag is berekend teruggebracht tot 25 vervuilingseenheden en is het bedrag van de voorlopige aanslag verminderd met 40% tot € 2.337,50. Deze vermindering is gelijk aan de vermindering waarom de gemachtigde op de hoorzitting heeft verzocht omdat de bedrijfsruimte in 2021 (voor een deel van het jaar) gesloten is geweest vanwege Corona-maatregelen.

2.4.

De werkwijze van de Regionale Belastinggroep is dat de definitieve aanslag zuiveringsheffing wordt vastgesteld na het verkrijgen van de gegevens betreffende het watergebruik van het waterbedrijf na afloop van het desbetreffende belastingjaar.

2.5.

De definitieve aanslag zuiveringsheffing 2021 is op 30 juni 2022 opgelegd naar 20,95 vervuilingseenheden en een bedrag van € 1.958,83. Na verrekening met de voorlopige aanslag bedroeg het terug te ontvangen bedrag € 378,67. Tegen de definitieve aanslag is geen bezwaar gemaakt.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

Geen aansluiting

6.1

Eiser vermeldt, dat de aanslag niet alleen de [adres 1] betreft maar ook het pand [adres b] in [woonplaats] . Eiser bestrijdt dat er een aansluiting zou zijn.

6.2

Verweerder bestrijdt dat er geen aansluiting is. Verweerder wijst erop, dat bij de vaststelling van de voorlopige aanslag is gekeken naar het waterverbruik in het voorafgaande jaar (wat veronderstelt, dat er in dat jaar een aansluiting was), dat niet valt te begrijpen hoe de exploitatie zou kunnen plaatsvinden zonder aansluiting en dat de definitieve aanslag (waarbij ook wordt uitgegaan van een aansluiting) inmiddels is opgelegd en onherroepelijk is geworden.

6.3

Deze beroepsgrond is niet eerder dan ter zitting naar voren gebracht. Eiser heeft weliswaar in beroep naar voren gebracht, dat hij van het pand geen gebruik kon maken, maar als hij al bedoeld heeft, dat verweerder (en de rechtbank) daaruit en/of uit de vraag naar kadastrale tekeningen had moeten begrijpen dat bestreden werd dat er een aansluiting was, is dat door de gemachtigde van eiser daarmee onvoldoende duidelijk gemaakt. De stelling, dat er geen aansluiting zou zijn geweest in 2021 is door eiser uitsluitend toegelicht met de stelling, dat verweerder zou zijn afgegaan op (foutieve) kadastrale gegevens maar overigens niet toelicht of gedocumenteerd. De rechtbank acht niet aannemelijk, dat er geen aansluiting was. Deze beroepsgrond faalt.

Geen/onvoldoende rekening gehouden met gevolgen Corona-maatregelen

7.1

Eiser betoogt, dat verweerder door in maart 2021 een aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte op te leggen onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van (kort aangeduid) de Corona-maatregelen, waardoor eiser zijn pand heeft moeten sluiten.

7.2

Verweerder geeft aan eiser tegemoet te zijn gekomen door de basis voor de voorlopige aanslag onverplicht te verminderen naar 25 vervuilingseenheden.

7.3

De rechtbank begrijpt de stellingen van eiser zo, dat een korting van 40% op zijn plaats zou zijn geweest. In zijn bezwaar maakt eiser geen melding van Corona-maatregelen en of daaruit voortvloeiende terughoudendheid bij het opleggen van een zuiveringsheffing. Blijkens de uitspraak op bezwaar heeft eiser in de hoorzitting op bezwaar gevraagd om een korting van 40%. Door het aantal vervuilingseenheden te verminderen met 16,1 vervuilingseenheid heeft verweerder de gevraagde korting toegepast. Voor zover eiser in beroep wil betogen, dat verweerder gelet op de bijzondere situatie in het geheel geen aanslag op had mogen leggen stelt de rechtbank vast, dat eiser geen (kwantitatieve) gegevens heeft overgelegd over de door hem door de Corona-maatregelen geleden nadelen, over de staatssteun waar hij aanspraak op had kunnen maken en de door hem daadwerkelijk genoten staatssteun noch over de (on)mogelijkheid om bij verweerder te vragen om uitstel van betaling. Bij gebreke aan zulke gegevens maakt eiser niet aannemelijk, dat verweerder in maart 2021 had moeten afzien van de aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte. Deze beroepsgrond faalt.

Proceskosten in bezwaar

8. Eiser betoogt dat verweerder hem een proceskostenvergoeding had moeten toekennen voor de bezwaarfase.

8.1.

Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

8.2.

Daarvoor dient onderzocht te worden of verweerder met deze voorlopige aanslag in strijd heeft gehandeld met het vereiste van een zorgvuldige voorbereiding van besluiten. Dit is het geval als verweerder ook zonder grondig onderzoek had moeten begrijpen, dat hij voor de voorlopige aanslag niet terug kon grijpen op het voorafgaande jaar (zie ook ECLI:NL:HR:2011:BO7526).

8.3.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel kosten bestuurlijke voorprocedures (Kamerstukken II 1999/2000, nr. 27024, nr. 3; blz. 7) is onder meer vermeld: “In alle gevallen is de vergoeding (...) beperkt tot de kosten, die de belanghebbende redelijkerwijs in verband met de behandeling van het bezwaar (...) heeft moeten maken. Daarmee is (...) de zogenaamde “dubbele redelijkheidstoets” gecodificeerd: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten dienen redelijk te zijn. Aan dit vereiste is bijvoorbeeld niet voldaan, indien de bijstand van een belastingadviseur wordt ingeroepen om een evidente rekenfout in een belastingaanslag te herstellen. Het is immers algemeen bekend, dat een eenvoudig telefoontje naar de belastingdienst daartoe ook volstaat.”

8.4.

In de nota van toelichting bij het KB van 25 februari 2002, Stb. 2002, nr. 113, blz. 6 e.v. is onder meer het volgende vermeld: “Met betrekking tot de fiscale beschikkingen is ervan uitgegaan dat jaarlijks ongeveer 100 000 bezwaarschriften geheel of gedeeltelijk worden toegewezen, waarbij door een derde beroepsmatig rechtsbijstand is verleend, die voor toepassing van een kostenvergoeding in het kader van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen. (...) De bezwaarschriften gericht tegen een voorlopige aanslag op grond van art. 13 Algemene vet rijksbelastingen behoren daar in beginsel niet toe. Voorlopige aanslagen voldoen niet aan het hiervoor genoemde vergoedingscriterium, zoals dat is vastgesteld in art. 7:15 lid 2 Awb. Voorlopige aanslagen zijn namelijk gebaseerd op schattingen omdat de grootte van de belastingschuld pas kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. Indien een voorlopige aanslag wordt herroepen, na indiening van een bezwaarschrift is er in beginsel geen sprake van

onrechtmatigheid.”

8.5.

Vaststaat dat verweerder ten tijde van het nemen van de voorlopige aanslag niet over gegevens (waterverbruik) over 2021 kon beschikken. Verweerder heeft het aantal vervuilingseenheden in de voorlopige aanslag bepaald naar het aantal van de meest recente definitieve aanslag, voor het belastingjaar 2019. Eiser heeft niet gesteld en de rechtbank is niet gebleken, dat (zie hiervoor, 8.2) verweerder zonder grondig onderzoek had moeten begrijpen, dat hij voor de voorlopige aanslag niet kon teruggrijpen op 2019. De voorlopige aanslag is – met andere woorden – in bezwaar niet herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, zodat verweerder eisers proceskosten in bezwaar niet hoefde te vergoeden (zie ECLI:NL:HR:2007:BB8358 en recent rechtbank Overijssel van 18 oktober 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:3013 (minjus.nl).

Redelijke termijn

9. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voor de behandeling van het bezwaar en beroep.

9.1.

Gelet op de uitgangspunten in het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252), behoren geschillen binnen een redelijke termijn te worden berecht. Hierbij geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien zij niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt.

9.2.

Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 9 april 2021. Dit betekent dat de redelijke termijn op het moment van deze uitspraak nog niet is verstreken. Overigens is – zoals verweerder naar voren brengt – in deze zaak met de (inmiddels onherroepelijke) definitieve aanslag zuiveringsheffing van 20 juni 2022 al een einde gekomen aan iedere redelijk denkbare onzekerheid over de uiteindelijke hoogte van de aanslag zodat sedert die datum geen sprake meer is van spanning en frustratie. Voor het toekennen van een vergoeding van immateriële schade wegen overschrijding van de redelijke termijn bestaat ook daarom geen aanleiding.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het geschil

Proceskosten

Beslissing