Home

Gerechtshof Den Haag, 21-03-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:537, BK-23/358

Gerechtshof Den Haag, 21-03-2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:537, BK-23/358

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21 maart 2024
Datum publicatie
29 april 2024
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2024:537
Zaaknummer
BK-23/358
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 30a Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ, Art. 6:17 Awb, Art. 7:4 Awb

Inhoudsindicatie

Art. 17 Wet WOZ Heffingsambtenaar maakt WOZ-waarde appartement per 01-01-2021 niet aannemelijk. Ook de door belanghebbende genoemde vergelijkingsobjecten moeten in de waardering worden betrokken. Belanghebbende heeft de door hem voorgestane waarde niet aannemelijk gemaakt. Beroep op gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel wordt verworpen. Hof stelt WOZ-waarde in goede justitie vast.

Uitspraak

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-23/358

in het geding tussen:

(gemachtigde: A. Bakker)

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 maart 2023, nummer SGR 21/7893.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op € 346.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2021 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelasting eigenaar (de aanslag).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het tegen de beschikking en aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht van € 49 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht van € 136 geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 28 januari 2024 en de Heffingsambtenaar heeft op 30 januari 2024 een nader stuk met bijlagen ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 februari 2024. Partijen zijn verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een appartement (de woning) met een berging en parkeerplaats. De woning heeft een bruto inhoud van 272 m3 (ongeveer 90 m2). Het bouwjaar is 2004.

2.2.

De woning is door belanghebbende op 12 december 2016 gekocht voor € 250.000 en vervolgens is de keuken vernieuwd, is in de badkamer een nieuw wastafelmeubel geplaatst en is de woning geschilderd. De totale kosten bedroegen volgens een door belanghebbende op 20 mei 2017 ingevuld inlichtingenformulier ongeveer € 20.000. Belanghebbende heeft blijkens de overgelegde rekening € 10.950 exclusief installatiekosten voor de keuken betaald. De staat van onderhoud van het binnen- en buitenwerk ten tijde van de aankoop wordt op het formulier door belanghebbende als gemiddeld omschreven. De staat van de keuken wordt op het moment van aankoop als achterstallig omschreven en die van de badkamer als gemiddeld.

2.3.

De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de waarde in beroep een taxatieverslag en een matrix overgelegd. Daarin is de waarde van de woning op de waardepeildatum bepaald op € 347.222. De matrix bevat, onder meer, de volgende gegevens:

Object en vergelijkingsobjecten

De woning: [adres 1]

[adres 2]

[adres 3]

[adres 4]

Soort object

Appartement

Appartement

Appartement

Appartement

Bouwjaar

2004

2004

2002

2002

Bruto inhoud

272 m3

272 m3

253 m3

228 m3

Bijgebouwen

Berging

Parkeerplaats

Berging

Parkeerplaats

Berging

Parkeerplaats

Berging

Parkeerplaats

Transactiedatum

1-11-2019

4-2-2019

11-11-2019

Transactieprijs

€ 320.000

€ 310.000

€ 290.250

VvE Reservefonds

€ -3.683

€ -4.700

€ -2.784

Index naar wpd

1,149%

6,904%

0,957%

Corr. naar wpd

€ 319.951

€ 326.378

€ 290.217

VLOKS

- Ligging

- Onderhoudstoestand

- Kwaliteit/luxe

- Uitstraling

- Voorzieningen

3

3

4

3

3

3

3

3

3

3

3

3

3

3

3

3

3

3

3

3

Totale waarde 1-1-2020

€ 347.222

€ 319.951

€ 326.378

€ 290.217

De verkoopcijfers zijn gecorrigeerd met de gemiddelde waardestijging van woningen binnen de [gemeente] tussen de waardepeildatum en de datum van levering.

Aan de hand van de m3-prijzen die zijn berekend uit de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten is een gemiddelde prijs per m3 van de woning berekend op € 1.225. Dit is na toepassing van de correcties die verband houden met de VLOK-codering. Elk punt dat afwijkt van het cijfer 3 leidt tot een verlaging respectievelijk verhoging van de m3-prijs.

Aan de woning is voor kwaliteit/luxe code ‘4’ toegekend vanwege de aanwezigheid van een nieuwe keuken en wastafelmeubel. Verder is in het taxatieverslag het appartement [adres 5] , verkocht op 20 december 2019 voor € 320.000 (bruto inhoud 242 m3, ongeveer 81 m2), genoemd.

2.4.

De Heffingsambtenaar heeft van de vergelijkingsobjecten iWOZ-kaarten verstrekt. Aan de hand van de daarin opgenomen gegevens heeft de Heffingsambtenaar de hiervoor opgenomen matrix opgesteld.

2.5.

In de bezwaarfase is aan belanghebbende een taxatieverslag van de woning verstrekt. De voormalige gemachtigde van belanghebbende, [voormalige gemachtigde] , heeft in de bezwaarfase verzocht:

“Indien u voornemens bent dit bezwaarschrift ongegrond te verklaren, verzoeken wij u om uiterlijk in de uitspraak op bezwaar een overzicht op te nemen (bij voorkeur in de vorm van een taxatiematrix) van de relevante gegevens en waarden van de woning,

waaronder in ieder geval:

1. De gehanteerde grondstaffel; en

2. De gehanteerde cijfers en correcties voor kwaliteit, onderhoud, ligging etc. (VLOK/KOUDV factoren).

Met deze gegevens kunnen wij een eventuele ongegrondverklaring namelijk aan de belanghebbende verklaren en kunnen onnodige beroepsprocedures voorkomen worden.”

De Heffingsambtenaar heeft niet aan dit verzoek voldaan. Wel heeft hij laten weten dat de gegevens voorafgaand aan het horen in bezwaar ter inzage liggen. Belanghebbende noch zijn gemachtigde hebben van het inzagerecht gebruikgemaakt. De Heffingsambtenaar heeft de in bezwaar gevraagde stukken in de procedure bij de Rechtbank aan belanghebbende verstrekt.

2.6.

In het bij het bezwaarschrift door [voormalige gemachtigde] gevoegde taxatierapport is naast het verkoopcijfer van [adres 2] ook het verkoopcijfer van het appartement [adres 6] , dat op 6 augustus 2020 voor € 340.000 is verkocht, genoemd (bruto inhoud 302 m3, gebruiksoppervlakte ongeveer 98 m2) en het appartement [adres 7] , dat op 8 september 2020 is verkocht voor € 366.000 (gebruiksoppervlakte 97 m2).

2.7.

Belanghebbende heeft in hoger beroep een waarderapport overgelegd van [naam 1] , 15 januari 2024, waarbij de waarde van de onroerende zaak is getaxeerd op € 305.000 per 1 januari 2020. In de bijgevoegde matrix zijn de volgende vergelijkingsverkopen opgenomen:

Vergelijkings-objecten

Bouwjr.

Hoofd-

gebouw

m2

Overige objectdelen

Verkoopprijs

en prijs per

01-01-2020

Verkoop-

datum

[adres 2]

2004

86

Berging en parkeerplaats

€ 14.000

€ 320.000

01-11-2019

[adres 8]

2004

118

Berging en paarkeerplaats

€ 14.000

€ 392.500

geïndexeerd

€ 401.000

1-10-2019

[adres 6]

2004

98

Berging en parkeerplaats

€ 14.000

€ 340.000

geïndexeerd

€ 320.000

06-08-2019

De m2-prijs is volgens deze matrix voor de woning van belanghebbende € 3.379 en voor de vergelijkingsobjecten respectievelijk € 3.558, € 3.408 en € 3.170. De waarde van de onroerende zaak is volgens belanghebbende uitgaande van deze vergelijkingsverkopen op 1 januari 2020 € 304.594.

De KOUDV-factoren (factoren voor kwaliteit, onderhoud, uitstraling en voorzieningen) zijn zowel voor de woning als voor de vergelijkingsobjecten op gemiddeld (3) gesteld.

2.8.

Verder heeft belanghebbende een overzicht overgelegd van [naam 2] waarin de WOZ-waarden van de kalenderjaren 2015 tot en met 2022 van de appartementen [adres 9] , [adres 10] , [adres 11] , [adres 12] , [adres 13] , [adres 14] en [adres 15] zijn vermeld. De appartementen hebben een oppervlakte van ongeveer 90 m2. Per 1 januari 2020 is de WOZ-waarde van elk van deze appartementen vastgesteld op € 329.000.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“5. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding".[1]

6. Verweerder dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op de door hem overgelegde matrix en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, hierin geslaagd. Naar volgt uit de matrix, is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Verweerder heeft de WOZ-waarde van de woning onderbouwd met de verkoopgegevens van [adres 2] en [adres 3] en [adres 4] . De rechtbank acht de door verweerder gehanteerde vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar met de woning. Met de matrix en hetgeen overigens door verweerder is aangevoerd, maakt hij aannemelijk dat bij de herleiding van de aan de woning toegekende waarde uit de bij de verkoop van de in de matrix genoemde vergelijkingsobjecten behaalde verkoopprijzen, in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning waaronder de inhoud, de staat van onderhoud en de voorzieningen. Verweerder heeft de kwaliteit van de woning terecht op ‘boven gemiddeld’ gewaardeerd, gelet het feit dat het een in 2017 nieuwgeplaatste keuken betreft. Dat het geen bijzonder luxe keuken betreft, is daarbij niet relevant. Eiser heeft met hetgeen hij hier tegenin heeft gebracht, niet aannemelijk gemaakt dat moet worden uitgegaan van een lagere waardering.

7. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd, doet aan het hier boven gegeven oordeel niet af. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Verweerder is in de uitspraak op bezwaar voldoende ingegaan op het hoorgesprek, zodat aan de uitspraak op bezwaar geen motiveringsgebrek kleeft. Ten aanzien van eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar de WOZ-waarden van objecten in dezelfde straat, merkt de rechtbank op dat niet alleen overeenkomsten tussen primaire, maar ook tussen secundaire objectkenmerken van belang zijn. Eiser heeft niet onderbouwd dat alle objectkenmerken overeenkomen. Er is derhalve geen sprake van nagenoeg identieke woningen.

8. Het standpunt van eiser dat verweerder in strijd met artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld door de gemachtigde in de bezwaarfase ( [voormalige gemachtigde] ) niet de matrix en de grondstaffel toe te zenden, faalt. Artikel 6:17 van de Awb gaat niet verder dan dat, in het geval er een gemachtigde is, voor verweerder de plicht bestaat aan hem de op de zaak betrekking hebbende stukken te zenden maar dat artikel heeft geen betrekking op de vraag voor welke stukken een toezendplicht geldt. In de bezwaarfase gaat de plicht van verweerder niet verder dan dat eiser en zijn gemachtigde op grond van artikel 7:4 van de Awb voorafgaand aan het horen inzage in de stukken kunnen krijgen. Ook volgt uit artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ geen verplichting de matrix en de grondstaffel desgevraagd voorafgaand aan het horen aan gemachtigde dan wel eiser toe te zenden. Die bepaling bevat uitsluitend de verplichting tot het op verzoek verstrekken (lees: toezenden of digitaal beschikbaar stellen) van het taxatieverslag. Eiser heeft niet gesteld dat zij geen taxatieverslag heeft ontvangen. Indien eiser of zijn gemachtigde van mening is dat het taxatieverslag onvoldoende gegevens bevat om tot een goede beoordeling van de vastgestelde waarde te kunnen komen, kan hij, onderscheidenlijk zijn toenmalige gemachtigde, in de bezwaarfase gebruik maken van zijn inzagerecht als bedoeld in artikel 7:4 van de Awb. Verweerder heeft de toenmalige gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zien. Deze heeft hiervan afgezien. Dat eiser in de bezwaarfase een andere gemachtigde had dan in de beroepsfase waardoor de huidige gemachtigde geen inzage heeft gehad, komt voor rekening en risico van eiser. Hiermee heeft verweerder voldaan aan zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 7:4, tweede en derde lid, van de Awb en artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ. De verwijzing van eiser ter zitting naar de conclusie van Advocaat-Generaal IJzerman van 31 januari 2023 [2] leidt niet tot een ander oordeel nu de Hoge Raad nog geen arrest heeft gewezen in die zaak.

9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de woning en de daarop gebaseerde aanslagen niet te hoog vastgesteld. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

[1] Kamerstukken 11 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.

[2] ECLI:NL:PHR:2023:130.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

Beoordeling van het hoger beroep

Proceskosten en griffierecht

Beslissing