Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-09-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3286, 21/00479
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28-09-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3286, 21/00479
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 28 september 2022
- Datum publicatie
- 23 november 2022
- Zaaknummer
- 21/00479
- Relevante informatie
- Art. 7:12 Awb
Inhoudsindicatie
In geschil is of het motiverings- en/of zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. Niet kan worden gezegd dat de heffingsambtenaar zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daar enig gevolg aan verbonden zou moeten worden. wel is er sprake van een motiveringsgebrek, omdat de heffingsambtenaar slechts zeer algemeen is ingegaan op (mogelijk) de meest verstrekkende grief van belanghebbende. Het hof acht in deze bijzondere omstandigheden van het geval een proceskostenvergoeding geboden.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 21/00479
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 19 februari 2021, nummer SHE 20/256, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant,
hierna: de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2019 bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] .
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, een (intensieve) varkenshouderij. De onroerende zaak bestaat uit een woondeel (woning uit 1970 met twee dakkapellen) en een bedrijfsdeel dat één varkensstal voor de fok (uit 1975), zes varkensstallen voor vleesproductie (uit 1970 (3x), 2006, 2014 en 2018), diverse mestkelders, twee werktuigenbergingen, bestrating, een luifel, een tussenbouw en erfverharding omvat. Tot de onroerende zaak behoren ook vier percelen met een totale kadastrale oppervlakte van 95.250 m2.
De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2018 vastgesteld op € 1.327.000.
In het bezwaarschrift van 3 juli 2019 heeft belanghebbende verzocht om toezending van het taxatieverslag. Dit (eerste) taxatieverslag is door de heffingsambtenaar toegezonden op 10 juli 2019. In de aanvulling op het bezwaarschrift van 27 augustus 2019 schrijft belanghebbende onder meer dat de waarde van de varkensstallen (uit 2014, 2016 en 2018) hoger zijn vastgesteld dan de taxatiewijzer aangeeft zonder dat daarvoor een onderbouwing wordt gegeven en dat uit jurisprudentie blijkt dat afwijking van de taxatiewijzer onderbouwd moet worden met drie verkoopcijfers.
Bij uitspraak op bezwaar van 11 december 2019 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak en de aanslag OZB gehandhaafd. In het met de uitspraak op bezwaar meegestuurde (tweede) taxatieverslag is een negatieve waardecorrectie opgevoerd van € 124.000. In deze uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar (onder meer) op de in 2.3 genoemde bezwaargrond gerespondeerd dat de in het bezwaarschrift genoemde WOZ-waarde niet overeenkomt met de waarde in het economisch verkeer; er is naast de landelijke taxatiewijzer agrarische objecten volgens de heffingsambtenaar ook gekeken naar regionale verkopen.
Met betrekking tot de hiervoor in 2.3 genoemde bezwaargrond heeft de heffingsambtenaar specifiek het volgende beslist:
“Volgens u is de prijs van varkensstallen uit 2006, 2014 en 2018 te hoog vastgesteld.
Uit onderzoek blijkt dat de in uw bezwaarschrift genoemde WOZ-waarde niet overeenkomt met de waarde in het economische verkeer. Om de waarde van agrarische objecten te bepalen is onder meer aangesloten bij de Landelijke Agrarische Taxatiewijzer voor agrarische objecten maar tevens ook bij regionale verkopen. Regionale verkopen hebben aangetoond dat de kengetallen uit de taxatiewijzer m.b.t. de varkensstallen niet geheel aansluiten bij de regionale markt. Op dit punt wijkt de BSOB af van de Landelijke Taxatiewijzer. Uit onderzoek is gebleken dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en de door u genoemde waarde niet reëel is. Uw bezwaar leidt op dit punt niet tot een verlaging van de
vastgestelde WOZ-waarde.”
In beroep heeft belanghebbende een WOZ-waarde van € 1.171.000 verdedigd. Belanghebbende geeft in het beroepschrift (onder meer) aan dat de regionale verkopen waar de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar naar verwijst niet inzichtelijk zijn gemaakt en dat de taxatiewijzer agrarisch heel goed de regionale markt betreffende varkenshouderijen weergeeft.
In beroep heeft de heffingsambtenaar een taxatierapport overgelegd van 11 juni 2020, opgesteld door taxateur G.D. Staal en gecontroleerd door O.M. Harmsen waarin tot een WOZ-waarde van € 1.530.000 wordt geconcludeerd. Die waarde in dit taxatierapport is onderbouwd met een analyse van regionale verkopen. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de eerder vastgestelde waarde van € 1.327.000. In dit taxatierapport is (in vergelijking tot het tweede taxatieverslag) uitgegaan van andere vierkante meters ten aanzien van de grond bij de woning (1.075 m2 in plaats van 850 m2), de grond bij de niet-woning (16.332 m2 in plaats van 10.582 m2) en de rest van het perceel. De heffingsambtenaar heeft daarnaast in beroep geconstateerd dat de woning een vrijstaande woning is en geen woning in een bedrijfsgebouw. Ook is een extra mestkelder toegevoegd met een waarde van € 192.227 en is de negatieve waardecorrectie van € 124.000 geen onderdeel meer van de getaxeerde waarde.
Belanghebbende heeft na ontvangst van het verweerschrift bij de rechtbank de hoogte van de WOZ-waarde van de onroerende zaak niet meer bestreden.
3 Geschil en conclusies van partijen
In geschil is of de uitspraak op bezwaar is gedaan in strijd met het motiverings- en/of zorgvuldigheidsbeginsel en of belanghebbende bij een bevestigend antwoord recht heeft op vergoeding van proceskosten.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover daarbij is nagelaten een vergoeding voor proceskosten in beroep toe te kennen en tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.