Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-10-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3464, 21/00627 en 21/00759
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-10-2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3464, 21/00627 en 21/00759
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2022
- Datum publicatie
- 19 januari 2023
- Zaaknummer
- 21/00627 en 21/00759
- Relevante informatie
- Art. 225 Gemw, Art. 7:3 Awb
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Hoger beroep gegrond.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 21/00627 en 21/00759
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
en het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk ,
hierna: de heffingsambtenaar,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 19 april 2021, nummer BRE 20/4798, in het geding tussen belanghebbende, de heffingsambtenaar en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 21 november 2018 niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Het hof heeft het hoger beroep bij uitspraak van 24 oktober 2019 gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.
Bij uitspraak van 19 april 2021 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 21/00627. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft in reactie op het verweerschrift een conclusie van repliek ingediend.
De heffingsambtenaar heeft eveneens hoger beroep ingesteld bij het hof, bij het hof bekend onder nummer 21/00759. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
De zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2022 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] . Op deze zitting zijn de zaken met nummers 21/00627 en 21/00759 gelijktijdig behandeld.
De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting, zonder bezwaar van de andere partij, een schriftelijke machtiging overgelegd.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
De griffier heeft in de brief van 2 augustus 2022 partijen ervan in kennis gesteld dat een of meerdere raadsheren die bij de zaak van belanghebbende betrokken is/zijn, niet op de juiste manier is beëdigd, dat de desbetreffende raadshe(e)r(en) inmiddels opnieuw is/zijn beëdigd en dat het hof van oordeel is dat het in het geval van belanghebbende niet nodig is om in zijn zaak een nieuwe zitting te houden, omdat de gesignaleerde onvolkomenheid niets afdoet aan de deskundige en zorgvuldige wijze waarop de zaak (inhoudelijk) is behandeld. Vervolgens heeft geen van partijen - na navraag door het hof - verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Een nadere zitting is daarom achterwege gebleven.
2 Feiten
Belanghebbende heeft op 30 juni 2015 een auto met kenteken [kenteken 1] geparkeerd in Oisterwijk op de De Balbian Versterlaan . Tijdens een controle om omstreeks 09:48 uur is geconstateerd dat in de auto geen parkeerkaartje zichtbaar aanwezig was en dat de auto niet was aangemeld voor GSM-parkeren. Daarom is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 60,20 (hierna: de naheffingsaanslag).
Belanghebbende heeft bij brief van 3 augustus 2015 - ontvangen door de heffingsambtenaar op 20 augustus 2015 - bezwaar aangetekend tegen de naheffingsaanslag en daarbij verzocht op zijn bezwaar te worden gehoord.
Belanghebbende heeft in de bezwaarfase een transactieoverzicht van Parkmobile meegezonden dat aangeeft dat het kenteken [nummer] om 09:43 uur is aangemeld en om 11:06 uur is afgemeld.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende bij uitspraak van 25 augustus 2015 kennelijk ongegrond verklaard. Hierbij heeft de heffingsambtenaar van het horen afgezien op grond van artikel 7:3, onderdeel b, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Namens belanghebbende is bij e-mailbericht van 7 april 2018 bij de heffingsambtenaar geïnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot het onder 2.2 vermelde bezwaarschrift.
De heffingsambtenaar heeft bij e-mailbericht van 9 april 2018 laten weten dat reeds op 25 augustus 2015 uitspraak op bezwaar is gedaan. Een kopie van die uitspraak is bij het e-mailbericht gevoegd.
Namens belanghebbende is op 9 april 2018 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 25 augustus 2015.
De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 21 november 20181 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Namens belanghebbende is hiertegen hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft in hoger beroep geoordeeld dat de heffingsambtenaar onvoldoende heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat de uitspraak op bezwaar op of omstreeks 25 augustus 2015 is verzonden en dat de beroepstermijn is aangevangen op 10 april 2018 zodat het beroep ontvankelijk is. Het hof heeft in verband hiermee het hoger beroep bij uitspraak van 24 oktober 20192 gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het geding teruggewezen naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van de uitspraak van het hof. Tegen deze uitspraak is geen cassatie ingesteld.
Vanwege de uitbraak van het coronavirus heeft de rechtbank per brief van 6 april 2020 partijen op de hoogte gesteld dat de zitting van 23 april 2020 niet door zal gaan. Het onderzoek ter zitting bij de rechtbank is opnieuw gepland en heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020.
De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 19 april 2021 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag vernietigd, de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 2.000, de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.066, gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan hem vergoedt en beslist dat, indien de immateriële schadevergoeding, de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase en/of de vergoeding van het griffierecht niet tijdig wordt vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop de uitspraak door de rechtbank is gedaan.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Ontbreekt een grond voor de veronderstelling van spanning en frustratie bij belanghebbende zodat de rechtbank ten onrechte een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg heeft toegekend (hoger beroep heffingsambtenaar)?
II. Heeft de rechtbank aan de terugwijzing in de eerste ronde ten onrechte de gevolgtrekking verbonden dat de redelijke termijn voor de eerste aanlegfase vier jaar bedraagt en in verband hiermee de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn op een te laag bedrag vastgesteld (hoger beroep belanghebbende)?
III. In welke mate is de overschrijding van de redelijke termijn toe te rekenen aan het bestuursorgaan (hoger beroep heffingsambtenaar)?
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover het de beslissing omtrent de immateriële schadevergoeding betreft.
De heffingsambtenaar concludeert eveneens tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover het de beslissing omtrent de immateriële schadevergoeding betreft.