Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 03-07-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2151, 23/75
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 03-07-2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2151, 23/75
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 3 juli 2024
- Datum publicatie
- 18 juli 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2022:5480, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 23/75
Inhoudsindicatie
Formeel belastingrecht. In geschil is of belanghebbende recht heeft op een (proces)kostenvergoeding, omdat (i) de rechtbank ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden aan het feit dat de heffingsambtenaar de onderbouwing van de uitspraak op bezwaar in de bezwaarfase heeft laten varen en de uitspraak op bezwaar in die fase daarom op een onjuiste onderbouwing berustte, (ii) de rechtbank voorbij gaat aan schending van het motiveringsbeginsel door de heffingsambtenaar en (iii) de rechtbank een onjuiste uitleg geeft aan artikel 8:42 Awb. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitspraak
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/75
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 16 december 2022, nummer SHE 21/2799, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Bergeijk,
hierna: de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres 1] 5 in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 bekendgemaakt (hierna: de aanslag).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2 Feiten
De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 477.000.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift verzoekt belanghebbende de heffingsambtenaar op grond van artikel 40 Wet WOZ en artikel 7:4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen, waaronder de gehanteerde referentiepanden, de grondstaffels, liggingsfactor, de onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum en de KOUDV-factoren. Bij e-mail van 29 juli 2021 zijn de grondstaffel, de invloed van de KOUDV-factoren en de indexeringspercentages aan belanghebbende overgelegd.
In de bezwaarfase heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij uitspraak op bezwaar van 11 oktober 2021 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd. In de bezwaarfase is de waarde onderbouwd met de transactiegegevens van de volgende vergelijkingspanden: [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] , alle gelegen te [woonplaats] .
De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase een taxatiematrix van 17 januari 2022 overgelegd. De taxateur heeft de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum vastgesteld op (afgerond) € 477.000. Naast gegevens van de woning, bevat de matrix gegevens van de volgende vergelijkingspanden: [adres 1] 11, [adres 5] 26 en [adres 5] 15, alle gelegen te [woonplaats] .
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van € 477.000 niet te hoog is.
3 Geschil en conclusies van partijen
In geschil is of belanghebbende recht heeft op een (proces)kostenvergoeding, omdat:
- -
-
i) de rechtbank ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden aan het feit dat de heffingsambtenaar de onderbouwing van de uitspraak op bezwaar in de bezwaarfase heeft laten varen en de uitspraak op bezwaar in die fase daarom op een onjuiste onderbouwing berustte;
- -
-
ii) de rechtbank voorbij gaat aan schending van het motiveringsbeginsel door de heffingsambtenaar;
- -
-
iii) de rechtbank een onjuiste uitleg geeft aan artikel 8:42 Awb.
Partijen hebben uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat de waarde van de onroerende zaak niet langer in geschil is. Het geschil betreft dus uitsluitend de hierboven genoemde punten van formele aard.
Belanghebbende concludeert tot gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en toekenning van een (proces)kostenvergoeding voor het bezwaar, beroep en hoger beroep.
De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.