Home

Hoge Raad, 14-03-2017, ECLI:NL:HR:2017:421, 16/00462

Hoge Raad, 14-03-2017, ECLI:NL:HR:2017:421, 16/00462

Gegevens

Inhoudsindicatie

Poging uitlokking moord. 1. Gebruik als bewijs van p-v’s die door onder codenummers aangeduide opsporingsambtenaren zijn opgemaakt. Motiveringsvoorschrift van art. 360.1 Sv verzuimd? 2. Vrijwillige terugtred; art. 46b Sr.

Ad 1. De kennelijk aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat art. 360.1 Sv z.m. van toepassing is op het gebruik als b.m. van een door een onder codenummer aangeduide opsporingsambtenaar opgemaakt p-v, is onjuist. De HR heeft in ECLI:NL:HR:2014:230 geoordeeld dat de omstandigheid dat een onder codenummer bekende opsporingsambtenaar naderhand is verhoord op de wijze als voorzien in de art. 190.3 en 290.3 Sv meebrengt dat het motiveringsvoorschrift van art. 360.1 Sv ook van toepassing is op het gebruik als b.m. van het eerder onder codenummer opgemaakte p-v houdende de verklaring van de desbetreffende opsporingsambtenaar. Die situatie doet zich i.c. niet voor. Ad 2. Aan ’s Hofs verwerping van het beroep op vrijwillige terugtred ligt het oordeel ten grondslag dat geen plaats is voor vrijwillige terugtred a.b.i. art. 46b Sr indien sprake is van een zgn. voltooide poging. Die opvatting is onjuist. Het gaat niet erom of verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat sprake is van een strafbare poging, maar of hij is teruggetreden voordat sprake is van een voltooid misdrijf. In geval van een voltooide poging is vrijwillige terugtred i.d.z.v. art. 46b Sr niet reeds in zijn algemeenheid uitgesloten (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AZ2169). De klacht leidt echter niet tot cassatie omdat het i.c. aangevoerde ontoereikend is voor het slagen van het verweer.

Uitspraak

14 maart 2017

Strafkamer

nr. S 16/00462

MD/DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 januari 2016, nummer 23/003714-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 20 januari 2012 tot en met 24 januari 2012 te Amsterdam, door het verschaffen van inlichtingen en beloften heeft gepoogd [betrokkene 1] te bewegen een misdrijf te begaan, te weten het (in Amsterdam) opzettelijk en met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven beroven, immers heeft verdachte toen en daar:

- tegen die [betrokkene 1] verteld op welke wijze hij ( [betrokkene 1] ) het kantoor van die [slachtoffer] kon binnengaan, immers heeft verdachte tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij het kantoor van die [slachtoffer] in moest gaan met een meisje en dat hij rustig naar binnen moest gaan en rustig spullen moest pakken en binnen 5 minuten moest wachten en rustig naar buiten moest gaan, zodat de portier er geen erg in heeft en

- een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de moord op die [slachtoffer] en

- tegen die [betrokkene 1] gezegd dat hij, verdachte, morgen het geld heeft."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012034111 van 8 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [001] . Dit proces houdt in, voor zover van belang (13 Bejar, proces-verbaal van voorgeleiding blz. 13 e.v.):

Op maandag 6 februari 2012 las ik een e-mailbericht van [betrokkene 2] , werkzaam bij het mediabedrijf [A] uit Amsterdam. De inhoud van het bericht luidde:

Wij zijn vorige week benaderd door een Surinamer die zich [betrokkene 3] noemt. Hij vertelde dat een vriend van hem was gevraagd om een huurmoord te plegen. Deze vriend zou [betrokkene 1] heten.

Twee maal zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 3] afgelopen week bij ons op kantoor geweest. [betrokkene 1] zegt dat hij een vriendin heeft die voor een escortbureau werkt. Zij vertelde hem laatst dat haar baas iemand zocht om een concurrent uit de escortwereld uit de weg te ruimen. [betrokkene 1] heeft toen via die vriendin aan haar baas laten weten dat hij dat wel wilde doen. Zo kwam [betrokkene 1] in contact met de opdrachtgever. Die zou kantoor houden aan de [b-straat] in de buurt van het politiebureau. Het slachtoffer zou ook een man zijn uit de escortwereld. [betrokkene 1] had van de opdrachtgever een adres gekregen waar deze kantoor zou houden. Dit zou zijn aan de [a-straat 1] in Amsterdam. Via de KvK heb ik gezien dat er inderdaad een escortbaas daar zijn kantoor heeft: [slachtoffer] .

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012034111-13 van 7 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [002] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang (13 Bejar, proces-verbaal van voorgeleiding blz. 57 e.v.):

Op 6 februari zijn er diverse aanhoudingen verricht. Hierbij zijn goederen in beslag genomen waaronder een USB stick van de verdachte [betrokkene 1] . In deze USB stick zat een micro SD-kaart. Deze SD kaart is nader onderzocht. Het bleek dat er beeld en opname apparatuur waren geplaatst op de SD kaart. Deze opname is hieronder uitgewerkt.

J= [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] )

A= [verdachte]

Datum van opname zoals weergegeven op de gegevensdrager: 24 januari 2012 (blz. 58)

A= ...met een meisje naar binnen te gaan en kan je de deur dicht doen ..en dan pang

J= O maar er is echt niemand anders in dat gebouw.

A= Ja de portier, je moet wel een geluidsdemper hebben.

A= Ja maar eerst moet het gebeuren ik moet de zekerheid hebben dat het is gebeurd en morgen heb ik het (het hof begrijpt: het geld).

A= Ik moet morgen in de krant lezen dat het gebeurd is.

A= ja maar ik betaal er ook goed voor.

A= morgen heb ik het geld.

(blz. 59)

A= Zo een klus als dit.. Vijfentwintig à dertig duizend.

A= Kijk als er andere mensen bij zijn dan moeten die ook maar (A maakt hierbij een handgebaar van een pistool)

J= ja dat bedoel ik. Is dubbel moord.

A= Kijk als er nou één of meerdere moeten gaan het maakt mij niet uit. Kijk als het om hem gedaan is, gericht op hem dan lijkt het wel een overval en iedereen kan het dan gedaan hebben. Iedereen weet dat daar geld is. Kijk je moet alles meenemen. Dan lijkt het op een beroving als alle spullen zijn weggehaald. Dan denken ze dat het geen hit is, maar een beroving.

A= Als het gebeurd is gelijk de snelweg op.

(blz. 60)

A= je laat het meisje mee naar binnen. Je beter meelopen met het meisje mee naar binnen. Rustig. Helemaal naar binnen. Normaal. Rustig naar binnen, rustig spullen pakken en rustig eruit niet te snel. Anders denkt de portier dat is ook raar na twee personen naar binnen en na dertig seconden rennend eruit. Beter vijf minuten wachten, rustig al die spullen in een Albert Heijn tas, laptop telefoons mobiele alles wat er is en heel rustig eruit lopen. Deur netjes dicht en rustig met het meisje eruit lopen. De portier heeft er geen erg in. Rustig weg. Voordat ze hem vinden.

J= Is goed. Komt goed man.

A= Kan je vanavond niet even het bewijs geven?

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012034111 van 8 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [003] en [004] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang (13 Bejar, proces-verbaal van voorgeleiding blz. 66 e.v.):

(blz. 68 en 69)

Onder de verdachte [betrokkene 1] is bij de aanhouding beeld- en geluidsmateriaal in beslag genomen. Het onder de verdachte [betrokkene 1] in beslag genomen beeld- en geluidsmateriaal is bekeken. Uit een vergelijking van de ter beschikking gestelde foto's van [verdachte] en het in beslag genomen beeld- en geluidsmateriaal is gebleken dat de manspersoon die te zien is op de beeldopnamen en die de opdracht tot liquidatie geeft, [verdachte] is.

4. Een proces-verbaal van verhoor met nummer 20111295735 van 10 april 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [005] en [006] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als verklaring van de verdachte [betrokkene 4] (Proces-verbaal aanvulling zaaksdossier 2 onderzoek 13 Bejar, blz. 288 e.v.):

(p. 289)

Ongeveer 2 jaar geleden ben ik in contact gekomen met [verdachte] . [verdachte] runde destijds al een escortservice vanaf het pand [b-straat 1] te Amsterdam.

[verdachte] was op een gegeven moment erg boos op [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] )

(p. 290)

Ik weet niet hoe [verdachte] er toe kwam om mij het te vragen. Ineens vroeg hij mij of ik een hitman kende.

5. Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2011295735 van 11 april 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [007] en [005] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als verklaring van de getuige [betrokkene 5] (Proces-verbaal aanvulling zaaksdossier 2 onderzoek 13 Bejar, blz. 293 e.v.):

(p. 298)

V: wat had [verdachte] aan jouw moeder gevraagd?

A: ik had gehoord van mijn moeder, dat [verdachte] tegen mijn moeder had gezegd dat hij op zoek was naar mensen om [slachtoffer] om te leggen.

6. Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2012034111 van 19 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [008] en [005] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als verklaring van de getuige [betrokkene 6] (Proces-verbaal origineel 13 Bejar en 13 Dosha na samenvoeging, aangiften en getuigen, blz. 26 e.v.)

(p. 29)

A: [betrokkene 4] zei met een glimlach op haar gezicht gewoon: " [betrokkene 8] wil je niet 20.000 euro verdienen. Er moet iemand omgelegd worden" Ik zei doe even normaal man. Hierop zei ze "Nee ik meen het". Van wie dan? Vroeg ik. Ze zei: "Ja voor [verdachte] " (het hof begrijpt: de verdachte). Een paar dagen later vertelde ze mij dat het om [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) ging.

7. Een proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam op 9 en 19 januari 2015. Dit proces-verbaal houdt in voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

(p. 19)

[betrokkene 1] is bij mij op kantoor geweest.

8. Een proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam op 9 en 19 januari 2015. Dit proces-verbaal houdt in voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige [betrokkene 1] :

(p. 10)

De voorzitter houdt aan de getuige de verdere inhoud van de verklaring voor waarin de verdachte verklaart dat de getuige aan verdachte heeft voorgesteld om [slachtoffer] 'koud te maken' voor € 25.000, maar verdachte dit niet nodig vond en de verdachte de getuige heeft verzocht om het geschil met [slachtoffer] uit te praten, waarvoor de getuige een paar duizend euro zou ontvangen, waarop de getuige heeft verklaard dat dit niet voldoende zou zijn.

De getuige [betrokkene 1] antwoordt op deze vraag als volgt:

Ik heb nog nooit gehoord wat u nu voorleest. Ik weet niet wat daar staat. Het kan niet kloppen dat ik heb voorgesteld om iemand 'koud te maken'. Ik ben helemaal niet gewelddadig. Ik kan iemand niet zoiets aanbieden. Ik kan niet de woorden 'koud maken' hebben gebruikt."

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 360, eerste lid, Sv heeft verzuimd in zijn arrest in het bijzonder de redenen op te geven waarom het voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van door onder codenummers aangeduide opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal (bewijsmiddelen 1 t/m 6).

3.2.

Art. 360, eerste lid, Sv luidt:

"Van het gebruik als bewijsmiddel van het proces-verbaal van een verhoor bij de rechter-commissaris of rechtbank, houdende de verklaring

- van de getuige, bedoeld in artikel 216a, tweede lid of

- van de bedreigde of afgeschermde getuige, of

- van de getuige verhoord op de wijze als voorzien in de artikelen 190, derde lid, en 290, derde lid, of van schriftelijke bescheiden als bedoeld in artikel 344a, derde lid, geeft het vonnis in het bijzonder reden."

3.3.

Aan het middel ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat het motiveringsvoorschrift van art. 360, eerste lid, Sv zonder meer van toepassing is op het gebruik als bewijsmiddel van een door een onder codenummer aangeduide opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal. Die opvatting is onjuist. In zijn arrest van 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:230, NJ 2014/362 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omstandigheid dat een onder codenummer bekende opsporingsambtenaar naderhand is verhoord op de wijze als voorzien in de art. 190, derde lid, en 290, derde lid, Sv meebrengt dat het motiveringsvoorschrift van art. 360, eerste lid, Sv ook van toepassing is op het gebruik als bewijsmiddel van het eerder onder codenummer opgemaakte proces-verbaal houdende de verklaring van de desbetreffende opsporingsambtenaar. Die situatie doet zich, anders dan het middel kennelijk voorstaat, in het onderhavige geval niet voor.

3.4.

Het middel faalt.

4 Beoordeling van het vijfde middel

5 Beoordeling van de overige middelen

6 Beslissing