Hoge Raad, 22-06-2018, ECLI:NL:HR:2018:981, 17/00842
Hoge Raad, 22-06-2018, ECLI:NL:HR:2018:981, 17/00842
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 22 juni 2018
- Datum publicatie
- 22 juni 2018
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2018:981
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:205, Gedeeltelijk contrair
- In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:4632, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Zaaknummer
- 17/00842
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheidsrecht. Beroepsfout advocaten (te laat instellen cassatieberoep en niet-voeren van een bepaald verweer). ‘Procedure in een procedure’. Devolutieve werking (niet oordelen over enkele verweren). Maatstaf voor bewuste roekeloosheid (art. 8:1064 BW) in 2008. Betalingen onder verzekeringspolis in mindering op schadevordering? Toerekening van fouten; causaal verband tussen beroepsfout en schikking in andere zaak.
Uitspraak
22 juni 2018
Eerste Kamer
17/00842
TT/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. DENTONS BOEKEL N.V., voorheen Boekel N.V. en Boekel de Nerée N.V.,gevestigd te Amsterdam,
2. de coöperatie HOUTHOFF BURUMA COÖPERATIEF U.A.,gevestigd te Amsterdam,
EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. F.E. Vermeulen,
t e g e n
[verweerster] , rechtsopvolger van [A] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,
advocaten: mr. A.C. van Schaick en mr. N.E. Groeneveld-Tijssens.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de advocaten en [verweerster] .
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak C/13/532625/HA ZA 12/1535 van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2013 en 28 mei 2014;
b. het arrest in de zaak 200.155.928/01 van het gerechtshof Amsterdam van 15 november 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben de advocaten beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de advocaten mede door mr. G.P. Oosterhoff.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt zowel in het principaal cassatieberoep als in het incidenteel cassatieberoep tot verwerping.
De advocaat van de advocaten en de advocaat van [verweerster] hebben bij brieven van respectievelijk 6 april 2018 en 5 april 2018 op die conclusie gereageerd.
3 Uitgangspunten in cassatie
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
- -
-
i) [verweerster] is eigenaar van het binnenschip ‘VW VI’ (hierna genoemd: ‘de duwbak’ of ‘de splijtbak’).
- -
-
ii) [verweerster] had voor door de duwbak veroorzaakte schade een cascoverzekering met aansprakelijkheidsdekking afgesloten bij een aantal verzekeraars (hierna: de verzekeraars).
- -
-
iii) In de Algemene Duwconditiën 1988 is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“(...)
Art. 1 – Voor rekening van de eigenaar van de duwbak, of – zo deze het contract niet heeft gesloten noch daartoe is toegetreden – van de contractant, is alle schade anders dan terzake van de dood of letsel van personen, die het gevolg mocht zijn van schuld of nalatigheid van de bemanning van de duwboot, en/of van personeel in dienst van de duwbootexploitant en/of van personeel door de duwbakexploitant of zijn tussenkomst geleverd om dienst te doen aan boord van duwbakken.
(...)
Art. 5 (...)
c. De aansprakelijkheid van de duwboot zal ook buiten het geval van art. 944 van het Wetboek van Koophandel nimmer de volgens dit artikel bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde bedragen te boven gaan.(...)”
- -
-
iv) Op 23 juni 1993 is de duwbak gekapseisd tijdens het laden met nat spuitzand. Naar aanleiding daarvan heeft [verweerster] intern de afspraak gemaakt dat bij vervoer van nat zand gevaren moet worden zonder de balken in de dennenboom (de opstaande rand in het dek rond de laadruimte). Vanaf dit incident tot 5 juli 1994 is de duwbak niet gebruikt om nat zand te vervoeren.
- -
-
v) Op 5 juli 1994 is de duwbak in een sluis, na een aanraking met een sluiswand, opnieuw gekapseisd. De duwbak werd op dat moment, in opdracht van [verweerster] , voortgestuwd door duwsleepboot ‘Arcturus’, eigendom van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ). Als gevolg van het kapseizen van de duwbak is de Arcturus ook gekapseisd. In de sluis bevond zich verder de duwcombinatie Coby/Horn IV. Deze is als gevolg van het kapseizen van de duwbak eveneens gekapseisd.
- -
-
vi) Bij beschikking van 18 juli 1995 heeft de rechtbank Amsterdam voorlopig vastgesteld dat [verweerster] haar aansprakelijkheid op de voet van art. 951a en 951f (oud) Wetboek van Koophandel (hierna: WvK) mag beperken tot 100.000 rekeneenheden. Vervolgens is een beperkingsfonds gesteld waarin de rechtsvoorgangster van beursmakelaar Aon een bedrag van f 293.730,00 (€ 133.288,86) heeft gestort, nadat dit bedrag door de verzekeraars aan Aon was overgemaakt.
- -
-
vii) [betrokkene 1] en de eigenaren van de Coby/Horn IV hebben zich op het standpunt gesteld dat [verweerster] haar aansprakelijkheid niet mag beperken. Zij zijn daarop naar de renvooiprocedure verwezen.
- -
-
viii) Bij vonnissen van 26 november 2003 en 12 mei 2004 heeft de rechtbank Amsterdam in de door [betrokkene 1] aangespannen renvooiprocedure (hierna: de [betrokkene 1-procedure] ) geoordeeld dat [verweerster] haar aansprakelijkheid niet mag beperken op de voet van art. 951a (oud) WvK. Bij vonnis van 13 april 2005 heeft de rechtbank Amsterdam in de door de eigenaren van de Coby/Horn IV aangespannen renvooiprocedure (hierna: de Coby/Horn-procedure) gelijkluidend geoordeeld.
- -
-
ix) [verweerster] heeft zowel in de [betrokkene 1-procedure] als in de Coby/Horn-procedure hoger beroep ingesteld. In afwachting van de uitkomst van de [betrokkene 1-procedure] is het hoger beroep in de Coby/Horn-procedure naar de parkeerrol verwezen.
- -
-
x) Bij arrest van 22 mei 2008 heeft het hof Amsterdam de vonnissen in de [betrokkene 1-procedure] bekrachtigd (hierna: het [betrokkene 1] -arrest). In het arrest is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“(...)
In het kader van genoemd onderzoek heeft de politie [betrokkene 2] , als hoofd materieel in dienst bij [ [verweerster] ], op 17 mei 1995 als verdachte gehoord. [betrokkene 2] geldt als “alter ego” van [ [verweerster] ]. Hij heeft onder meer het volgende verklaard:
“In 1993 is de splijtbak (...) omgeslagen (...). Dit gebeurde tijdens het laden van zand (...). Na dat ongeval heb ik de conclusie getrokken dat door een lading nat zand de [splijtbak] instabiel werd. Tijdens het ongeval in 1993 is mij niet duidelijk geworden of de instabiliteit (...) te wijten was aan de splijtbak of aan het over de ijkmerken laden van de splijtbak. Ik ben ervan uitgegaan dat dit laatste het geval was. (...)”
(...)
[betrokkene 3], directeur van de moedervennootschap van [ [verweerster] ] heeft tijdens het pleidooi in eerste aanleg op 30 september 2003 onder meer verklaard:
“(...) U vraagt mij waarom er na het ongeval in 1993 geen onderzoek is geweest naar de stabiliteit van de splijtbak. Wij wisten niet wat de oorzaak van het kapseizen was geweest; dat was de verantwoordelijkheid van ons hoofd materieel, [betrokkene 2] ; wij lieten dit onderwerp aan hem over.”
Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, zoals blijkend uit de aangehaalde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat [ [verweerster] ] zich bewust moet zijn geweest van het zeer aanzienlijke gevaar van kapseizen dat zij op 5 juli 1994 door het (doen) laden van de splijtbak met nat spuitzand in het leven riep, en zich hierdoor desondanks niet van dat gedrag heeft laten weerhouden.
(...)
Het hof is van oordeel dat, na het kapseizen van de splijtbak op 23 juni 1993, mede gelet op de zeer gevaarlijke situatie die door het kapseizen ontstaat, het op de weg van [ [verweerster] ] had gelegen alvorens weer nat spuitzand met de splijtbak te (doen) vervoeren, berekeningen te (laten) maken met betrekking tot de (dynamische) stabiliteit van de splijtbak. Door zonder dergelijke berekeningen na het ongeval op 23 juni 1993 toch nat spuitzand met de splijtbak te blijven vervoeren, heeft [ [verweerster] ], gezien het hiervoor overwogene, willens en wetens het risico genomen dat door het opnieuw kapseizen van de splijtbak weer schade zou ontstaan. Het ongeval is derhalve te wijten aan bewust roekeloos handelen van [ [verweerster] ] in de zin van artikel 740e K (oud). Bijgevolg is [ [verweerster] ] niet gerechtigd haar aansprakelijkheid jegens [betrokkene 1] (...) te beperken.”
- -
-
xi) [verweerster] heeft de advocaten opdracht gegeven cassatie in te stellen tegen het [betrokkene 1] -arrest. De advocaten hebben een cassatiedagvaarding uitgebracht, maar zij hebben over het hoofd gezien dat een verkorte cassatietermijn geldt. Het cassatieberoep is als gevolg daarvan te laat ingesteld. Het cassatieberoep is ingetrokken.
- -
-
xii) [verweerster] heeft vervolgens met [betrokkene 1] en met de eigenaren van de Coby/Horn IV vaststellingsovereenkomsten gesloten. Met [betrokkene 1] is geschikt voor € 565.000,--. Met de eigenaren van de Coby/Horn IV is geschikt voor € 474.000,--.
In dit geding, waarin behalve de advocaten ook de verzekeraars zijn gedagvaard, heeft [verweerster] , voor zover in cassatie van belang, een verklaring voor recht gevorderd dat de advocaten bij de behandeling van de [betrokkene 1-procedure] beroepsfouten hebben gemaakt (zie hiervoor in 3.1 onder (xi) en hierna in 3.3.2). [verweerster] heeft – ten aanzien van de advocaten – verder onder meer gevorderd schadevergoeding ter hoogte van € 1.039.000,--, onder aftrek van hetgeen de verzekeraars aan [verweerster] verschuldigd zullen blijken te zijn, alsmede vergoeding van advocaatkosten. De rechtbank heeft de gevorderde verklaring voor recht gegeven en als schadevergoeding een bedrag van € 59.098,90 toegewezen. Zij heeft de vordering met betrekking tot de advocaatkosten afgewezen.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank met betrekking tot de verklaring voor recht en de afwijzing van de advocaatkosten bekrachtigd. Het heeft de vordering tot vergoeding van schade, die [verweerster] in hoger beroep had vermeerderd tot € 1.252.699,15, toegewezen tot een bedrag van € 565.000,--.
Met betrekking tot de vraag of de advocaten een beroepsfout hebben gemaakt door geen grieven te richten tegen de vaststelling van de rechtbank dat [betrokkene 2] beschouwd kan worden als alter ego van [verweerster] en, zo ja, of deze beroepsfout tot schade heeft geleid, heeft het hof, samengevat, het volgende overwogen.
De vraag of het handelen van [betrokkene 2] in het maatschappelijk verkeer te gelden heeft als het handelen van [verweerster] is een centrale vraag in deze procedure. Het is in beginsel als een beroepsfout te kwalificeren dat in hoger beroep geen grief is gericht tegen de vaststelling van de rechtbank dat [betrokkene 2] beschouwd kan worden als het alter ego van [verweerster] . (rov. 3.11) Het hof had, ingeval een dergelijke grief was geformuleerd, niet zonder meer de overweging van de rechtbank kunnen overnemen. Niet vaststaat echter dat het hof [verweerster] in dat geval tot bewijslevering had toegelaten. Het komt aan op de conclusie die het hof aan die vaststaande feiten zou hebben verbonden. Echter, zelfs al zou het hof tot de door [verweerster] gewenste conclusie zijn gekomen met betrekking tot de rol van [betrokkene 2] , dan staat daarmee bepaald niet vast dat het hof niet had geconcludeerd tot bewuste roekeloosheid aan de zijde van de vennootschap. Op grond van de door [verweerster] gestelde feiten kan niet worden geconcludeerd dat deze beroepsfout tot schade heeft geleid. (rov. 3.12)
In rov. 3.28 heeft het hof geoordeeld dat, ingeval de advocaten de cassatietermijn niet hadden laten verstrijken, de procedures in cassatie en bij het verwijzingshof ertoe zouden hebben geleid dat [verweerster] haar aansprakelijkheid wel had mogen beperken, en dat [verweerster] dus haar schade mag verhalen op de advocaten. Aan dit oordeel heeft het hof, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
In beginsel moet worden beoordeeld hoe de Hoge Raad had behoren te beslissen, en in geval van verwijzing, hoe het verwijzingshof had behoren te beslissen, althans moet het toewijsbare bedrag worden geschat aan de hand van goede en kwade kansen die [verweerster] zou hebben gehad in cassatie, en eventueel in de verwijzingsprocedure, als het cassatieberoep tijdig was ingesteld. (rov. 3.13) Nu in dit geval de middelen van cassatie bekend zijn, en niet gesteld of gebleken is dat tevens incidenteel cassatieberoep zou zijn ingesteld, is het in het onderhavige geval mogelijk de omvang van het geding in cassatie vast te stellen en aldus het verloop van het cassatiegeding en van het geding na een eventuele verwijzing, concreet te beoordelen. (rov. 3.14)
In de te laat uitgebrachte cassatiedagvaarding is geklaagd over de onjuiste toepassing door het hof van het criterium ‘roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien’, zoals bedoeld in art. 951e (oud) WvK. (rov. 3.15) Volgens de 5 januari-arresten (HR 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9308,NJ 2001/391 en ECLI:NL:HR:2001:AA9309, NJ 2001/ 392) is van bewuste roekeloosheid sprake als degene die zich aldus gedraagt het aan de gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, maar zich door dit een en ander niet van dit gedrag laat weerhouden. (rov. 3.17)
Uit het [betrokkene 1] -arrest kan niet worden afgeleid dat dit criterium voor bewuste roekeloosheid is gehanteerd. (rov. 3.19) De Hoge Raad had tot cassatie behoren over te gaan. (rov. 3.20) Het verwijzingshof zou hebben geoordeeld dat niet aan voornoemd criterium was voldaan. (rov. 3.21)
Uit de rapporten blijkt weliswaar waaruit het gevaar bestond, maar niet dat de kans dat het gevaar zich zou verwezenlijken groter was dan 50%. (rov. 3.23)
Zou uit de inherente instabiliteit zijn af te leiden dat het gevaar zich zeker op enig moment zou verwezenlijken, dan kan uit de vaststaande feiten niet worden afgeleid dat [verweerster] zich daarvan bewust is geweest. (rov. 3.24) Het gaat om het subjectieve bewustzijn, dat moet worden afgeleid uit de gegeven feiten en omstandigheden. (rov. 3.25) [verweerster] is ervan uitgegaan dat overbelading de oorzaak was van het kapseizen in 1993 en was zich niet bewust van een inherente instabiliteit. Dat dat uitgangspunt mogelijk onjuist is geweest doet daaraan niet af. (rov. 3.26)
Voor het overige heeft het hof, samengevat en voor zover in cassatie van belang, nog het volgende overwogen.
Het betoog van [verweerster] dat zij ook de schade in de zaak Coby/Horn op de advocaten mag verhalen, faalt. [verweerster] stond niets in de weg om in de zaak Coby/Horn voort te procederen. Dit had, gelet op de geproduceerde gedingstukken in de andere zaak, met betrekkelijk weinig tijd en moeite gepaard kunnen gaan. Dat [verweerster] ervoor heeft gekozen om ook in deze zaak een schikking te treffen, moet voor haar rekening en risico blijven. (rov. 3.29)
De klacht van [verweerster] dat de rechtbank ten onrechte op de schadevergoeding (een deel van) het gestorte beperkingsbedrag in mindering heeft gebracht, slaagt(rov. 3.30). In beide procedures is buiten het beperkingsfonds om een regeling getroffen, zodat dit fonds afgewikkeld diende te worden. Het gestorte beperkingsbedrag is nimmer aan [verweerster] ten goede gekomen en evenmin aan [betrokkene 1] en/of Coby/Horn. (rov. 3.31)
Anders dan [verweerster] veronderstelt, heeft de rechtbank wel beslist op de vordering van [verweerster] inhoudende dat de volledige proceskosten van de procedure tegen de verzekeraars ten laste van de advocaten moeten worden gebracht (rov. 3.34-3.35).
De grief van [verweerster] over het oordeel van de rechtbank dat het van de verzekeraars ontvangen bedrag afgetrokken dient te worden van de verhaalbare advocaatkosten, faalt. In het licht van de betwisting van de stellingen van [verweerster] door de advocaten, heeft [verweerster] onvoldoende onderbouwd dat en op grond waarvan de uitkering van de AVB-verzekeraars niet zou strekken ter delging van de hier gevorderde kosten. (rov. 3.36)