Hoge Raad, 04-10-2024, ECLI:NL:HR:2024:1384, 23/02088
Hoge Raad, 04-10-2024, ECLI:NL:HR:2024:1384, 23/02088
Gegevens
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 4 oktober 2024
- Datum publicatie
- 4 oktober 2024
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:1384
- Formele relaties
- Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:382
- Zaaknummer
- 23/02088
Inhoudsindicatie
Caribische zaak. Ondernemingsrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid. Verjaring. Stichting met publieke taak spreekt voormalige bestuurders aan op voet van art. 2:14 BW Curaçao. Gerecht en Gemeenschappelijk hof verwerpen beroep bestuurders op verjaring en wijzen vorderingen grotendeels toe. Hof matigt schadevergoeding. Klachten bestuurder over verjaringstermijn en toerekening van kennis van bestuurders aan rechtspersoon. Klachten rechtspersoon dat matigingsbevoegdheid van art. 6:109 BW Curaçao niet terughoudend is toegepast en dat is gematigd zonder omvang van schade te bepalen.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/02088
Datum 4 oktober 2024
ARREST
In de zaak van
[de voorzitter],
wonende in [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [de voorzitter],
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
STICHTING BURO ZIEKTEKOSTENVOORZIENINGEN (in liquidatie),
gevestigd in Curaçao,
VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: BZV,
advocaat: H. Boom.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak CUR201800860 van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 25 november 2019;
b. de vonnissen in de zaak CUR2020H00004 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 24 augustus 2021 en 28 februari 2023.
[de voorzitter] heeft tegen de vonnissen van het hof beroep in cassatie ingesteld.
BZV heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor BZV mede door J.P. Jas. De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot terugwijzing.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1. Deze komen op het volgende neer.
(i) BZV is opgericht op 11 februari 1993 en heeft onder meer tot doel het verstrekken van voorzieningen bij ziekte aan on- en minvermogenden en (gepensioneerde) overheidswerknemers en hun gezinsleden.
(ii) Op 4 mei 2011 zijn [de voorzitter] (voorzitter), [de secretaris] (secretaris) (hierna: [de secretaris]) en twee andere personen tot het bestuur van BZV toegetreden.
(iii) Tussen 2011 en 2013 heeft BZV verschillende, hoge bedragen uitgegeven aan onder meer een beëindigingsvergoeding voor een samenwerkingsovereenkomst, opdrachten aan een accountantskantoor en nooit geleverde mondkapjes.
(iv) Per 1 mei 2012 zijn de taken van BZV rond het afhandelen van ziektekosten overgegaan naar de Sociale Verzekeringsbank.
(v) De bestuurstermijn van [de voorzitter], [de secretaris] en hun medebestuurders is per 4 mei 2013 geëindigd. Per 11 juni 2013 is een nieuw bestuur aangetreden met een benoemingstermijn van twee jaar. BZV is nadien ontbonden en de vereffening is thans nog gaande.
(vi) BZV heeft tegen [de voorzitter] en [de secretaris] verschillende aangiftes gedaan wegens vermoedens van financiële onregelmatigheden.
BZV heeft in deze procedure een verklaring voor recht gevorderd dat [de voorzitter] en [de secretaris] toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de behoorlijke vervulling van hun bestuursfunctie zoals bedoeld in art. 2:14 BW Curaçao (hierna: BWC), en dat zij op die grond hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door BZV geleden schade. Daarnaast heeft BZV hoofdelijke veroordeling gevorderd van [de voorzitter] en [de secretaris] tot vergoeding van die schade ter hoogte van NAf 7.032.462,99.
Het gerecht heeft [de voorzitter] en [de secretaris] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan BZV van NAf 4.424.862,37.1
Het hof heeft een tussenvonnis2 gewezen en vervolgens bij eindvonnis3 de uitspraak van het gerecht bevestigd, met dien verstande dat het de door [de voorzitter] te betalen schadevergoeding heeft bepaald op NAf 1,5 miljoen en de door [de secretaris] te betalen schadevergoeding op NAf 2,5 miljoen. Voor zover in cassatie van belang heeft het hof daartoe het volgende overwogen.
Tussenvonnis
“Matiging
Zowel [de voorzitter] als [de secretaris] heeft aangedrongen op matiging (artikel 6:109 BW).
Van algemene bekendheid is dat na het aantreden van het kabinet-Schotte op 10/10/10 er voor veel besturen van aan de overheid gelieerde entiteiten een “bijltjesdag” volgde en dat de keuze door het kabinet-Schotte van nieuwe bestuurders vaak niet gelukkig was. (...) Ook de keuze van [de voorzitter] – aangezocht door zijn vriend El Hakim, minister van Economische Zaken en Ontwikkeling van Curaçao in het kabinet-Schotte – en van [de secretaris] was niet gelukkig. [de voorzitter] was fulltime oogarts en had geen bestuurlijke ervaring.
Het Hof acht aannemelijk dat zij naïef waren en niet voor hun taak berekend. Hun ongepaste blinde vertrouwen in en volgzaamheid ten opzichte van de minister Constancia van Gezondheid, Milieu en Natuur was onbegrijpelijk. Illustratief is hun reeds genoemde bestelling van etuis met de naam van minister Constancia. Volgens de vereffenaar [betrokkene 4] ter zitting had de minister – die wegens de mondkapjesbestellingen strafrechtelijk is veroordeeld – kenbaar gemaakt alle regels, controles en verplichte adviezen – mede in verband met het College financieel toezicht – die golden voor de centrale overheid beu te zijn en was zij blij met de haar gewillige leiding van BZV dat fondsen beheerde waarin zeer veel geld zat.
Ook onbegrijpelijk was het vertrouwen van [de voorzitter] en [de secretaris] in de accountant [betrokkene 1] (met zijn eenmanszaak), hetgeen leidde, zonder inachtneming van aanbestedingsrichtlijnen, tot een stroom van gevraagde adviezen. Volgens de vereffenaar [betrokkene 4] ter zitting liggen alle adviezen in een kast en is er niets mee gedaan. Ook is onbegrijpelijk dat [de voorzitter] en [de secretaris] als stichtingbestuurders de expliciete opdracht hadden om uitvoering te geven aan het Landsbesluit en Samenwerkingsprotocol tussen het Land Nederlandse Antillen en het Eilandgebied van 2 april 2009 tot integratie van alle taken van de stichting BZV in SVB, om vervolgens BZV te liquideren. Niettemin zijn er voor miljoenen aan ogenschijnlijk nutteloze opdrachten verstrekt aan externen.
Het komt het Hof voor dat [de voorzitter] en [de secretaris] niet te kwader trouw waren; zij meenden het algemeen belang te dienen, maar waren niet voor hun taak berekend en extreem naïef. Zij meenden de minister Constancia te moeten gehoorzamen. Het Hof heeft hen op zitting gehoord. Zij konden geen samenhangende antwoorden geven.
Belangrijk is dat er geen aanwijzingen zijn dat [de voorzitter] en [de secretaris] zelf verrijkt zijn door de gewraakte bestedingen; zie de brief van de Procureur-Generaal van 9 juni 2016 (productie 14 BZV): ‘eerder sprake van wanbeleid’. De beloning van [de voorzitter] als parttime voorzitter van het bestuur was bescheiden (NAf 1.250 per maand met vaste autokosten- en telefoonvergoeding), die van [de secretaris] als fulltime secretaris van het bestuur (NAf 15.000 per maand) en lid van de directie (NAf 24.000 per maand met vaste onkostenvergoeding; (...); onduidelijk is of hij hiernaast de bestuursvergoeding ontving) was afgezet tegen ambtenarenbeloningen hoog, maar afgezet tegen wat naar algemene bekendheid de norm lijkt te zijn voor bestuurders van privaatrechtelijke overheidsentiteiten – recentelijk moesten de beloningen bij wet, met een overgangsperiode, aan banden gelegd worden – niet disproportioneel.
Wat betreft hun huidige draagkracht, [de voorzitter] heeft als oogarts enig vermogen van betekenis (er is beslag gelegd op acht onroerende zaken of de rechten waaraan deze zijn onderworpen; (...), maar [de secretaris] niet (slechts op zijn overheidspensioen ligt beslag). [de voorzitter] heeft kennelijk al meer dan NAf 400.000,- aan advocatenkosten gemaakt (...).
(...)
Het Hof laat ten slotte meewegen dat, naar het Hof bekend, dit de eerste keer is in Curaçao dat een bestuurder van een overheidsrechtspersoon die niet ten eigen bate heeft gefraudeerd, op grond van interne bestuurdersaansprakelijkheid door de rechtspersoon in rechte is aangesproken. (...)
Al met al acht het Hof, voorlopig oordelend op basis van de eveneens voorlopige oordelen over de verwijten en de verwijtbaarheid, dat veroordeling van [de voorzitter] tot meer dan NAf 2 miljoen tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Voor [de secretaris] is het bedrag NAf 3 miljoen.”
Partijen krijgen de gelegenheid zich over de matiging bij akte uit te laten.”
Eindvonnis
“Matiging
Het Hof zal de schadevergoedingen verder matigen, en wel tot NAf 1,5 miljoen voor [de voorzitter] en NAf 2,5 miljoen voor [de secretaris]. Daarbij houdt het Hof vast aan zijn eerdere oordeel dat aannemelijk is dat [de voorzitter] en [de secretaris] zelf financieel geen profijt hebben gehad van de gewraakte besluiten en bestedingen.
Het waren bijzondere tijden onder het kabinet-Schotte, een kabinet ongekend van aard in het Koninkrijk der Nederlanden. Een Koninkrijkscommissie concludeerde dat van een aantal ministers de integriteit niet vaststond. Drie leden, onder wie de minister-president, zijn later tot gevangenisstraf veroordeeld. Het lid dat, als vriend, [de voorzitter] voordroeg is met de noorderzon verdwenen, naar verluidt wegens belastingschulden.
Voor dit kabinet was deskundigheid van ondergeschikt belang. In zekere zin zijn [de voorzitter] en [de secretaris] slachtoffers daarvan. De ervaring leert dat in het algemeen aangezochte personen geen inzicht hebben in eigen onbekwaamheid. Zij kregen een zware verantwoordelijkheid die zij niet aankonden. [de voorzitter] had een oogartsenpraktijk en besteedde enkele uren per week aan BZV. Het Hof heeft de indruk gekregen dat [de voorzitter] en [de secretaris] “in de mist” opereerden. Zij vroegen wel adviezen, maar niet aan goed bekend staande deskundigen. Met de batterij aan ontvangen adviezen en verslagen is niets gedaan. De aangezochte opdrachtnemer is overigens, met de enige bestuurder, inmiddels onherroepelijk veroordeeld tot betaling aan BZV van NAf 2.179.587,50, NAf 754.125,–, NAf 362.606,87 en NAf 870.677,64 (ECLI:NL:OGHACMB:2022:28) en verkeert in faillissement, evenals de enige bestuurder.
De onderhavige zaak tegen [de voorzitter] en [de secretaris] is de enige zaak tegen ex-bestuurders van een overheidsentiteit in Curaçao uit het tijdvak-Schotte. Weliswaar waren de onbekwaamheid en verspilling van gemeenschapsgelden in dit geval opvallend, het is onbevredigend dat de enquête-overheids-NV’s (geëindigd met ECLI:NL:HR:2018:1104) geen aansprakelijkheidsstellingen tot gevolg heeft gehad.
[de secretaris] heeft geen draagkracht (alleen op zijn pensioen kon kennelijk conservatoir beslag worden gelegd). De kosten van rechtsbijstand zullen [de voorzitter] en [de secretaris] al zwaar vallen. Ten tijde van de zitting was [de voorzitter] al NAf 400.000,- kwijt aan Nederlandse advocatenkosten en daarna volgden nog twee ronden met uitvoerige aktes.
Het Hof houdt er ook rekening mee dat Curaçao erg klein is. Zie akte [de secretaris] van 23 november 2021, onder 56: ‘[de secretaris] heeft al zijn contacten verloren en iedereen kijkt hem met de rug aan’. En akte [de voorzitter] van 25 januari 2022, onder 3 en 4: ‘[de voorzitter] heeft ruim 10 jaar geleden, vanuit zijn diepe wens iets moois te doen voor het land dat hem zoveel heeft gegeven, de functie van voorzitter van de Stichting aanvaard. Die keuze zal [de voorzitter] blijven achtervolgen ongeacht de uitkomst van deze procedure. [de voorzitter] is immers na een langdurige en succesvolle loopbaan als gewaardeerd oogarts beland in een ware nachtmerrie waarin hem alles dreigt te worden ontnomen. Door de beslagen van de Stichting verkeert [de voorzitter] in grote geldzorgen en kan hij slechts dankzij het krediet van zijn advocaten zijn onmisbare en fundamentele recht op juridische bijstand realiseren.’
Het was zo’n exceptionele tijd in het kleine Curaçao dat toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.
(...)
Schadeposten
Het is niet nodig de talrijke schadeposten alle te behandelen. Hoewel het Hof ervan overtuigd is dat meer schade het gevolg is van onbehoorlijk bestuur waarvan [de voorzitter] en [de secretaris] een ernstig verwijt kan worden gemaakt, zal het zich beperken tot een viertal posten die gezamenlijk al meer dan NAf 4 miljoen bedragen. In de hierboven genoemde omstandigheden zou toekenning van een hogere schadevergoeding steeds tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen leiden.
(...)
Besluit
De uitkomst is dat het bestreden vonnis kan worden bevestigd, met dien verstande dat de door [de voorzitter] te betalen schadevergoeding wordt gesteld op NAf 1,5 miljoen en de door [de secretaris] te betalen schadevergoeding op NAf 2,5 miljoen.”
In deze cassatieprocedure zijn alleen de tegen [de voorzitter] ingestelde vorderingen nog van belang.
3 Beoordeling van het middel in het principale beroep
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).