Home

Hoge Raad, 14-03-2025, ECLI:NL:HR:2025:388, 23/04444

Hoge Raad, 14-03-2025, ECLI:NL:HR:2025:388, 23/04444

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 maart 2025
Datum publicatie
14 maart 2025
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:388
Formele relaties
Zaaknummer
23/04444

Inhoudsindicatie

Procesrecht. Sprongcassatie. Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA). Ontvankelijkheidseisen. Is sprake van een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis(sen) en over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen als bedoeld in art. 1018d lid 1 Rv? Geldt termijnverlenging o.g.v. art. 1018d lid 2 Rv alleen voor de partij die daarom heeft verzocht? Klachten over proceskostenveroordeling (art. 237 lid 1 Rv).

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 23/04444

Datum 14 maart 2025

ARREST

In de zaak van

STICHTING CONSUMENTEN COMPETITION CLAIMS,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

hierna: CCC,

advocaat: P.A. Fruytier,

tegen

1. APPLE DISTRIBUTION INTERNATIONAL LIMITED,

gevestigd te Cork, Ierland,

hierna: Apple Ierland,

2. APPLE INC.,

gevestigd te Cupertino, de Verenigde Staten van Amerika,

hierna: Apple Inc.,

3. APPLE OPERATIONS INTERNATIONAL LIMITED,

gevestigd te Cork, Ierland,

4. APPLE HOLDING B.V.,

gevestigd te Bunnik, kantoorhoudend te Amsterdam,

5. APPLE BENELUX B.V.,

gevestigd te Bunnik, kantoorhoudend te Amsterdam,

6. APPLE RETAIL NETHERLANDS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

VERWEERSTERS in cassatie,

hierna gezamenlijk: Apple c.s.,

advocaat: W.H. van Hemel,

7. STICHTING RIGHT TO CONSUMER JUSTICE,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: RCJ,

niet verschenen,

8. STICHTING APP STORES CLAIMS,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: ASC,

advocaat: R.L.M.M. Tan.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak C/13/708095 / HA ZA 22-1 van de rechtbank Amsterdam van 16 augustus 2023.

CCC heeft tegen het vonnis van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.

Apple c.s. en ASC hebben afzonderlijk een verweerschrift tot verwerping ingediend.

RCJ heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is voor CCC, Apple c.s. en ASC toegelicht door hun advocaten, voor CCC mede door J.P. Jas en voor Apple c.s. mede door J.S. Kortmann en B.M. Katan.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van het in cassatie bestreden vonnis uitsluitend voor zover het betreft de veroordeling van CCC in de proceskosten van RCJ en ASC in het dictum onder 10.2 en 10.3.

De advocaat van CCC heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Deze sprongcassatie betreft de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: WAMCA) en gaat over de vereisten voor de ontvankelijkheid van een collectieve vordering van een rechtspersoon als bedoeld in art. 3:305a BW die wenst aan te haken bij een eerder ingestelde collectieve vordering. Aan de orde komt in hoeverre een verschil in gedaagden en achterban van belang is voor de beoordeling of sprake is van ‘dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen’ en ‘gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen’ als bedoeld in art. 1018d lid 1 Rv. Daarnaast komt aan de orde of verlenging van de termijn voor het uitbrengen van een dagvaarding op de voet van art. 1018d lid 2 Rv algemene gelding heeft, dan wel enkel geldt voor de rechtspersoon die om verlenging heeft verzocht.

2.2

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Apple c.s. maken deel uit van het Apple-concern (hierna ook: Apple). Apple is een wereldwijd opererende onderneming die onder meer computers, telefoons en iOS-apps ontwerpt, produceert en verkoopt.

(ii) RCJ, ASC en CCC (hierna gezamenlijk: de stichtingen) zijn opgericht op respectievelijk 10 mei 2021, 27 oktober 2021 en 10 maart 2022.

(iii) De stichtingen willen ieder als belangenbehartiger opkomen voor gebruikers van softwareapplicaties die werken op een besturingssysteem (operating system) van Apple (iOS-apps of apps) en die deze gebruikers hebben gekocht in de App Store van Apple. RCJ komt daarnaast ook op voor ontwikkelaars (niet zijnde Apple) van verkochte iOS-apps.

(iv) Volgens de stichtingen heeft Apple een dominante positie op de markt voor distributie van iOS-apps, omdat gebruikers en ontwikkelaars van iOS-apps voor iPhone, iPad en iPod Touch zijn aangewezen op de App Store. Volgens de stichtingen heeft Apple misbruik van zijn machtspositie gemaakt, onder meer door een te hoge provisie in rekening te brengen voor aankopen in de App Store. Volgens RCJ heeft Apple daarnaast aan verboden verticale prijsbinding gedaan.

2.3

RCJ heeft op 4 oktober 2021 een dagvaarding uitgebracht tegen Apple Ierland en Apple Inc., die op dezelfde dag is ingeschreven in het in art. 3:305a lid 7 BW bedoelde register voor collectieve acties (hierna: het centraal register) onder de naam “Collectieve vordering tegen Apple”.

2.4

ASC heeft op 1 november 2021 de rechtbank verzocht de in art. 1018d lid 1 Rv genoemde termijn van drie maanden (hierna ook: de driemaandentermijn) te verlengen met drie maanden. Na RCJ, Apple Ierland en Apple Inc. in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dit verzoek uit te laten, heeft de rechtbank bij rolbeslissing van 24 november 2021 de driemaandentermijn met drie maanden verlengd, derhalve tot 4 april 2022. ASC heeft volgens de rechtbank, gelet op de door ASC gestelde feiten en omstandigheden en de juridische en feitelijke complexiteit van de materie, voldoende aannemelijk gemaakt dat zij meer dan de in art. 1018d lid 1 Rv bedoelde drie maanden nodig heeft om haar collectieve vordering voldoende voor te bereiden en in te dienen.

ASC heeft op 1 april 2022 haar dagvaarding tegen Apple Inc. en Apple Ierland uitgebracht en deze laten aantekenen in het centraal register bij de “Collectieve vordering tegen Apple”.

2.5

CCC heeft op 31 maart 2022 haar dagvaarding uitgebracht. Deze dagvaarding is op 1 april 2022 aangetekend in het centraal register bij de “Collectieve vordering tegen Apple”. CCC heeft, naast Apple Inc. en Apple Ierland, vier andere entiteiten van het Apple-concern gedagvaard.

2.6

De rechtbank1 heeft CCC niet-ontvankelijk verklaard in haar collectieve vordering. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, als volgt overwogen.

Met de aantekening van de dagvaarding van RCJ in het centraal register is de termijn van drie maanden van art. 1018d lid 1 Rv aangevangen. (rov. 5.16)

CCC heeft collectieve vorderingen ingesteld voor dezelfde gebeurtenis(sen) en over gelijksoortige feiten en rechtsvragen als die waarop de collectieve vorderingen van RCJ betrekking hebben. De verschillen in achterban, in de gedaagde partijen en in een gering

deel van de (grondslagen van de) vorderingen zijn van onvoldoende betekenis. Die verschillen nemen niet weg dat de gestelde gebeurtenis(sen) waarop de collectieve vorderingen van RCJ en CCC betrekking hebben en de daarmee gemoeide feitelijke en rechtsvragen in wezen dezelfde zijn. Dit blijkt ook wel uit het feit dat CCC in haar dagvaarding heeft verwezen naar de door RCJ aanhangig gemaakte zaak en dat CCC haar vorderingen heeft gegrond op dezelfde feiten als door RCJ gesteld. (rov. 5.17)

Een termijnverlenging als bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv heeft geen algemene werking, zodat het aan ASC verleende uitstel niet eveneens geldt voor andere belangenorganisaties, zoals CCC. Zodra een belangenorganisatie een dagvaarding op de voet van art. 1018c lid 2 Rv inschrijft in het centraal register, dwingt de driemaandentermijn van art. 1018d lid 1 Rv andere potentiële belangenorganisaties tot actie. Zij dienen in beginsel binnen die termijn te dagvaarden. Als die termijn niet volstaat, kunnen zij op de voet van art. 1018d lid 2 Rv binnen één maand na de inschrijving verzoeken om verlenging. Die verlenging is niet vanzelfsprekend. De rechter beslist op basis van de aangevoerde argumenten van de reeds verschenen partijen (in dit geval de belangenorganisatie die om termijnverlenging verzoekt, de eerste belangenorganisatie en de gedaagden). De rechter heeft daarbij, gelet op het woord “kan” in art. 1018d lid 2 Rv, een discretionaire bevoegdheid. Het gaat dus om een beslissing op verzoek van een specifieke partij tot het al dan niet verlengen van de termijn, die wordt genomen op grond van de dan bekende feiten en omstandigheden. Bij dit wettelijk systeem past niet dat (ook) een ten tijde van de beslissing nog niet in de procedure bekende (en, in dit geval, op dat moment nog niet bestaande) belangenorganisatie zou mogen dagvaarden binnen de ten behoeve van een andere belangenorganisatie op de voet van art. 1018d lid 2 Rv verlengde termijn. Die belangenorganisatie zou daarmee buiten elke rechterlijke toetsing om een termijnverlenging in de schoot geworpen krijgen. Daarmee zou bovendien afbreuk worden gedaan aan de in de WAMCA en de wetsgeschiedenis neergelegde gedachte dat binnen drie maanden na de aantekening in het centraal register bekend is welke andere belangenorganisaties hebben gedagvaard dan wel om een termijnverlenging hebben verzocht en dat na uiterlijk zes maanden bekend is welke van die laatste belangenorganisaties ook daadwerkelijk gedagvaard hebben. Anders dan CCC betoogt, volgt ook uit de wetsgeschiedenis niet dat algemene werking van een termijnverlenging is beoogd. (rov. 5.18-5.21)

Nu CCC haar dagvaarding niet binnen de wettelijke termijn van art. 1018d lid 1 Rv heeft uitgebracht en ook niet op de voet van art. 1018d lid 2 Rv om verlenging van die termijn heeft verzocht, kan zij niet worden ontvangen in deze procedure. (rov. 5.22 en 5.24)

De rechtbank heeft CCC veroordeeld in de proceskosten van RCJ, ASC en Apple c.s. (rov. 9.1)

3 Betekenis art. 1018c leden 1 en 2 Rv in hoger beroep en cassatie

CCC heeft in haar procesinleiding zekerheidshalve de gegevens opgenomen die volgens art. 1018c lid 1 Rv moeten worden vermeld in de dagvaarding waarmee een collectieve vordering wordt ingesteld. Bovendien heeft CCC de procesinleiding en het oproepingsbericht op de voet van art. 1018c lid 2 Rv ingediend bij de griffie van de rechtbank en ingeschreven in het centraal register. Zij heeft de Hoge Raad verzocht duidelijkheid te verschaffen over de vraag of art. 343 Rv en art. 407 lid 1 Rv meebrengen dat de vereisten van art. 1018c leden 1 en 2 Rv ook in hoger beroep en cassatie gelden. Het antwoord op die vraag luidt ontkennend.2

4 Beoordeling van het middel

5 Beslissing