Home

Parket bij de Hoge Raad, 24-05-2019, ECLI:NL:PHR:2019:556, 18/03265

Parket bij de Hoge Raad, 24-05-2019, ECLI:NL:PHR:2019:556, 18/03265

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24 mei 2019
Datum publicatie
21 juni 2019
ECLI
ECLI:NL:PHR:2019:556
Formele relaties
Zaaknummer
18/03265

Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Huwelijksvoorwaarden met beding conform art. 1:84 lid 1 BW. Kosten van de huishouding. Draagplicht. Aanvullende werking redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW) met betrekking tot genoemde beding. Cijfermatige misslag.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 18/03265

Zitting 24 mei 2019

CONCLUSIE

M.L.C.C. Lückers

In de zaak van

[de vrouw] ,

verzoekster tot cassatie,

verweerster in het incidenteel cassatieberoep (hierna: de vrouw),

advocaat: mr. J. van Weerden,

tegen

[de man] ,

verweerder in cassatie,

verzoeker in het incidenteel cassatieberoep (hierna: de man),

advocaat: mr. H.J.W. Alt.

In deze huwelijksvermogensrechtzaak zijn aan de orde de draagplicht voor de schulden van de eenvoudige gemeenschap, bestaande uit de gemeenschappelijke woning van partijen, en de draagplicht voor de door de man aangegane schulden ter dekking van de (hoge) kosten van de huishouding. In het principaal cassatieberoep wordt geklaagd over de draagplicht voor leningen door de man aangegaan ten behoeve van de gemeenschappelijke woning en de uitleg van de huwelijkse voorwaarden over de verdeling van de kosten van de huishouding. In het incidenteel cassatieberoep wordt eveneens geklaagd over de uitleg van de huwelijkse voorwaarden ten aanzien van de draagplicht voor de schulden die zijn aangegaan ter dekking van de kosten van de huishouding, mede bezien in het licht van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Voorts wordt geklaagd over de hoogte van een belastingschuld, over de door het hof aangenomen natuurlijke verbintenis ten aanzien van privévermogen dat de man geïnvesteerd heeft in de gezamenlijke woning en over een verklaring voor recht dat de vrouw eveneens draagplichtig is voor de helft van de aflossingen die de man heeft gedaan.

1 Feiten en procesverloop

In deze omvangrijke echtscheidingszaak zijn in cassatie alleen nog punten van huwelijksvermogensrechtelijke aard aan de orde. De weergave van de feiten en het procesverloop zal daarop worden toegespitst. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.1

1.1

Partijen zijn op 18 februari 1999 onder het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd. In de door hen op 16 februari 1999 overeengekomen huwelijkse voorwaarden is, voor zover thans van belang, het navolgende bepaald.

Artikel 1

De echtgenoten zijn gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen. (...)

Artikel 3

1. De kosten van de huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van hun gezamenlijke kinderen alsook de kinderen die met beider toestemming in het gezin zijn of mochten worden opgenomen, komen ten laste van de inkomens van de echtgenoten in evenredigheid daarvan.

2. Voor zover die inkomens ontoereikend zijn, komen die kosten ten laste van de vermogens van de echtgenoten in evenredigheid daarvan. (...)

Artikel 4

De echtgenoot, die belasting betaalt wegens inkomen en/of vermogen van de andere echtgenoot, is terzake gerechtigd tot een redelijke vergoeding van de ander. (...)”

1.2

De man is directeur-grootaandeelhouder van [A] B.V. (hierna: [A] ), die op haar beurt voor 50% aandeelhouder is van Top Vision Group B.V. (hierna: Top Vision Group). [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) is houder van de andere 50% van de aandelen. [A] B.V. ontvangt vanuit Top Vision Group B.V. een management fee. De man ontvangt van [A] B.V. een salaris van € 8.300,- bruto per maand inclusief vakantietoeslag.

1.3

De voormalig echtelijke woning aan [a-straat 1] te [woonplaats] is gezamenlijk eigendom van partijen. In de periode van 2007 tot maart 2014 hadden partijen daarnaast de woning aan [b-straat 1] te [woonplaats] gezamenlijk in eigendom. Laatstgenoemde woning is in 2014 geleverd aan een derde.

1.4

Bij verzoekschrift, ingekomen op 18 juni 2015, heeft de vrouw zich gewend tot de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, met het verzoek om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. Zij heeft verder verzocht om de wijze van verrekening op grond van de huwelijke voorwaarden vast te stellen alsmede de verdeling van de beperkte gemeenschap, nader te specificeren en toe te lichten.2

1.5

De man heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft de rechtbank onder meer verzocht om de vrouw in haar verzoek met betrekking tot de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de beperkte gemeenschap niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek af te wijzen. De man heeft de rechtbank zelfstandig verzocht om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. Voorts heeft hij een aantal nevenverzoeken ingediend.

1.6

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend tegen de zelfstandige verzoeken van de man.

1.7

Nadien heeft de man zijn verzoeken gewijzigd. Voor zover in cassatie van belang heeft hij onder meer verzocht (i) te bepalen, dan wel voor recht te verklaren, dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de schulden die hij onder punt 62 en 63 van zijn verweerschrift, tevens houdende wijziging van verzoeken, heeft genoemd, inclusief ten aanzien van alle daarmee tot de datum van de te wijzen beschikking samenhangende rente- en aflossingsverplichtingen3, en (ii) te bepalen dat de vrouw gehouden is binnen twee weken na de te wijzen beschikking aan de man een bedrag van € 6.748,50 ter zake van de naheffingsaanslag 2014 te voldoen, bij gebreke waarvan de vrouw de wettelijke rente aan de man verschuldigd is tot de dag van algehele voldoening van de schuld.4

1.8

Bij beschikking van 24 augustus 20165 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.6 De rechtbank heeft verder beslissingen gegeven met betrekking tot de verschillende nevenverzoeken. De rechtbank heeft als volgt overwogen met betrekking tot de schulden:

Schulden

2.8.7.

De man heeft verzocht te bepalen, dan wel voor recht te verklaren, dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de schulden die hij onder punt 62 en 63 van zijn verweerschrift, tevens houdende wijziging van verzoeken, heeft genoemd, inclusief ten aanzien van alle daarmee tot de datum van de in dezen te wijzen beschikking samenhangende rente- en aflossingsverplichtingen. (...)

Volgens de man staan deze schulden in rechtstreeks verband met de financiering van de woningen aan [b-straat 1] (in 2014 verkocht) en [a-straat 1] , waarvan de vrouw voor de helft eigenaar is dan wel is geweest.

De man stelt voorts dat de opnames ten laste van de rekening-courant van Top Vision Group BV en [A] BV zijn aangewend ter voldoening van de kosten van de huishouding. Gedurende zeven jaar (2007-2014) hebben partijen dubbele woon- en financieringslasten gehad, die niet (geheel) uit het inkomen konden worden betaald.

2.8.8.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij geen medeschuldenaar is. (...)

2.8.9.

De rechtbank stelt vast dat het gaat om de volgende gezamenlijke leningen:

- Hypothecaire geldlening ABN AMRO nummer (...) ter hoogte van € 200.706,00;

- Hypothecaire geldlening ABN AMRO nummer (...) ter hoogte van € 100.427,49;

- Hypothecaire geldlening ABN AMRO nummer (...) ter hoogte van € 193.160,00;

- Hypothecaire geldlening ABN AMRO nummer (...) ter hoogte van € 199.993,34;

- Hypothecaire geldlening ABN AMRO nummer (...) ter hoogte van € 136.134,06;

- Hypothecaire geldlening ABN AMRO nummer (...) ter hoogte van € 121.265,68;

- Lening bij [A] BV ter hoogte van € 389.783,21, voor de bouw van de woningen aan [b-straat 1] en [a-straat 1] .

En om de volgende leningen op naam van de man:

- Lening bij [betrokkene 1] van € 60.000,00 voor de afbouwkosten van de woning aan [a-straat 1] ;

- Lening van € 150.000,00 bij zijn ouders voor de aankoop van extra grond en de verbouwingen van de woning aan [a-straat 1] . De hoogte van de schuld is thans € 130.000,00;

- Rekening-courantschuld bij Top Vision Group BV van € 32.793,00;

- Rekening-courantschuld bij [A] BV van € 663.374,00.

2.8.10.

De rechtbank volgt de vrouw niet in haar standpunt dat zij geen medeschuldenaar is voor de leningen die op beider naam staan. De vrouw heeft voor deze leningen zelf haar handtekening gezet. De enkele stelling van de vrouw dat zij niet op de hoogte was van deze leningen, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Voor zover de vrouw beoogt om de overeenkomst van geldlening met [A] BV aan te tasten door te stellen dat zij haar handtekening onder dwang van de man heeft gezet, dient zij dit in een afzonderlijke dagvaardingsprocedure aan de orde te stellen.

In de onderhavige procedure gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de gezamenlijke schulden. Uit de overeenkomsten volgt dat deze door partijen ieder bij helfte dienen te worden gedragen. Voor zover de vrouw heeft bedoeld te verzoeken om te bepalen dat de man deze schulden als zijn eigen schuld dient te voldoen, wordt dit verzoek vanwege het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing afgewezen.

2.8.11.

De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw op grond van artikel 3, tweede lid, van de huwelijkse voorwaarden, gehouden is om de helft van de schulden in rekening courant voor haar rekening te nemen, omdat deze zijn aangegaan ter dekking van de kosten van de huishouding, waaronder de dubbele woonlasten in de periode vanaf 2007 tot en met 2014. De overige schulden op naam van de man dient de vrouw eveneens voor de helft te dragen, aangezien deze zijn aangegaan ter financiering van onroerend goed dat partijen gezamenlijk in eigendom toebehoort, aldus de man.

De vrouw heeft betwist dat zij draagplichtig is voor de schulden van de man.

De rechtbank stelt voorop dat de man aansprakelijk is voor de schulden die hij op zijn naam is aangegaan. Deze dient hij in beginsel ook volledig te dragen. Partijen zijn immers buiten elke gemeenschap van goederen gehuwd en het periodiek verrekenbeding van artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden ziet alleen op verrekening van positieve vermogensbestanddelen.

Wat betreft de kosten van de huishouding hebben partijen in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden afgesproken dat deze ten laste van de inkomens en vermogens van de echtgenoten komen in evenredigheid daarvan. De advocaat van de man heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat partijen met artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden niet hebben willen afwijken van art. 1:84 BW.

De rechtbank is van oordeel dat de man zijn vordering door hem gebaseerd op artikel 3 van de huwelijksvoorwaarden, niet voldoende heeft onderbouwd. Hij heeft nagelaten te stellen en te onderbouwen dat de vrouw inkomen dan wel vermogen had waarmee zij naar rato had moeten bijdragen aan de kosten van de huishouding. Het enkele feit dat de schulden zouden zijn aangegaan ter dekking van de kosten van de huishouding, dan wel ter financiering van gezamenlijke woningen, is onvoldoende om af te wijken van het uitgangspunt dat de man zijn schulden volledig moet dragen. Artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden bevat naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzing dat beide partijen, indien hun inkomens en vermogens zijn uitgeput om de kosten van de huishouding te financieren, draagplichtig worden voor schulden die één van hen is aangegaan ter verdere financiering van de kosten van de huishouding. Het verzoek van de man om te bepalen, dan wel voor recht te verklaren, dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor zijn schulden zal daarom worden afgewezen.

2.8.12.

De man heeft nog verzocht om te bepalen dat de vrouw gehouden is binnen twee weken na de in dezen te wijzen beschikking aan de man een bedrag van € 6.748,50 ter zake van de naheffingsaanslag 2014 te voldoen, bij gebreke waarvan de vrouw de wettelijke rente aan de man verschuldigd is tot de dag van algehele voldoening van de schuld.

(...)

De rechtbank stelt vast dat deze schuld is ontstaan als gevolg van een te hoge vooraftrek die partijen voor de woning aan [b-straat 1] bovendien te lang hebben genoten. Dat dit belastingvoordeel niet ten goede is gekomen aan de kosten van de huishouding, heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weersproken. Gelet hierop en op artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden dient deze schuld in redelijkheid bij helfte door partijen gedragen te worden. De rechtbank zal aldus bepalen. De rechtbank zal het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw gehouden is om € 6.748,50 (en de wettelijke rente) aan hem te voldoen evenwel afwijzen, aangezien de man de schuld nog niet voor meer dan de helft heeft voldaan.”

1.9

Voor zover van belang heeft de rechtbank in het dictum bepaald dat partijen gehouden zijn om de naheffingsaanslag 2014, genoemd in rov. 2.8.12 van de beschikking, bij helfte te dragen (rov. 3.6). De rechtbank heeft tot zover het meer of anders verzochte afgewezen (rov. 3.10). De rechtbank heeft voorts de vrouw bevolen om de in rov. 3.11 genoemde (financiële) afschriften in het geding te brengen en heeft de man in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren (rov. 3.12). De rechtbank heeft de beslissing over de verrekening van de banksaldi per peildatum 3 juni 2015 aangehouden tot 19 oktober 2016 pro forma.

1.10

Vervolgens heeft de vrouw financiële stukken (bankafschriften van haar rekeningen) in het geding gebracht. De man heeft daarop gereageerd. Bij beschikking van 18 januari 2017 heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw ter zake van de verrekening van de banksaldi gehouden is om € 10.693,75 aan de man te voldoen en bepaald dat partijen gehouden zijn om het debetsaldo van € 9,77 op één van de en/of rekeningen van partijen bij helfte te dragen. De rechtbank heeft hetgeen meer of anders is verzocht, afgewezen.

1.11

Tegen de beschikking van 24 augustus 2016 heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.7

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

De man heeft een verweerschrift in het incidenteel appel ingediend.

1.12

Na de zaak8 op 14 september 2017 mondeling te hebben behandeld, heeft het hof op 15 mei 2018 een beschikking gegeven. Voor zover van belang heeft het hof de beschikking van 24 augustus 2016 vernietigd, voor zover daarbij is bepaald dat partijen gehouden zijn de naheffingsaanslag 2014 bij helfte te dragen en de verzoeken van de man met betrekking tot de op naam van beide partijen staande schulden en de op zijn naam staande schulden zijn afgewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- bepaald dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de in rov. 4.1.1 van de beschikking genoemde schulden op naam van beide partijen;

- bepaald dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de schuld van de man aan [betrokkene 1] van € 60.000,- en voor de schuld aan de ouders van de man ten bedrage van € 120.000,-, alsmede voor de helft van de daarop toeziende rentelasten vanaf 2 juni 2015 tot de datum waarop deze schulden zijn afgelost;

- bepaald dat de vrouw naar evenredigheid van het inkomen van ieder van partijen en, voor zover die inkomens ontoereikend zijn, naar evenredigheid van het vermogen van ieder van partijen, draagplichtig is voor de rekening-courantschulden van de man aan [A] en Top Vision Group per 2 juni 2015, doch niet meer dan voor de helft van het bedrag van voornoemde schulden, alsmede voor de daarop toeziende rentelasten vanaf 2 juni 2015 tot de datum waarop deze schulden zijn afgelost;

- bepaald dat de vrouw naar evenredigheid van het inkomen van ieder van partijen en, voor zover die inkomens ontoereikend zijn, naar evenredigheid van het vermogen van ieder van partijen draagplichtig is voor de belastingaanslag IB 2014 van de man ten bedrage van € 6.739,50, doch niet meer dan voor de helft van dit bedrag;

- bepaald dat de vrouw gehouden is het door haar te dragen deel van het bedrag van € 6.739,50 van de belastingaanslag IB 2014 aan de man te voldoen, te vermeerderen met de over dat deel te berekenen wettelijke rente.

Het hof heeft de beschikking van 24 augustus 2016, voor zover aan hoger beroep onderworpen, voor het overige bekrachtigd en het (in hoger beroep) meer of anders verzochte afgewezen.

1.13

Bij verzoekschrift tot cassatie, op 15 augustus 2018 - en daarmee tijdig - per faxbericht ingekomen ter griffie van de Hoge Raad, heeft de vrouw cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 15 mei 2018. De man heeft een verweerschrift ingediend. Daarin heeft hij verzocht het cassatieberoep van de vrouw te verwerpen. De man heeft voorts van zijn zijde incidenteel cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft geen verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep ingediend.

2 Bespreking van het cassatiemiddel in het principale cassatieberoep

2.1

Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen (“klachten”), die zijn gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.2.4, 4.2.6, een deel van de Conclusie (opgenomen tussen rov. 4.12.2 en het dictum) en een deel van het dictum. Het hof heeft daarin als volgt overwogen (met het oog op de leesbaarheid citeer ik tevens de rechtsoverwegingen 4.2.1 t/m 4.2.3):

“4.2.1. Tevens heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.8.9 de volgende leningen op naam van de man vastgesteld:

- lening bij [betrokkene 1] van € 60.000,-;

- lening van € 150.000,- bij de ouders van de man;

- rekening-courantschuld bij Top Vision Group B.V. van € 32.793,-;

- rekening-courantschuld bij [A] B.V. van € 663.374,-.

De rechtbank heeft het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor deze schulden afgewezen. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden geen aanwijzing bevat dat, indien de inkomens en vermogens van partijen zijn uitgeput om de kosten van de huishouding te financieren, zij draagplichtig worden voor schulden die één van hen is aangegaan ter financiering van de kosten van de huishouding. De man betoogt in grief 3 opnieuw dat de vrouw voor de helft draagplichtig is en voert daartoe het volgende aan.

4.2.2.

De schuld aan [betrokkene 1] heeft betrekking op de aan beide partijen toebehorende woning aan [a-straat 1] . De schuld aan de ouders van de man voor € 120.000,- eveneens;

€ 30.000,- van die lening van totaal € 150.000,- is gebruikt voor aflossing van de schuld in rekening-courant (het hof begrijpt: aan [A] B.V.).

De schulden aan de beide vennootschappen zijn als volgt ontstaan. Partijen hebben gedurende ruim zes jaar dubbele woonlasten gehad, waaronder dubbele rentelasten. De woning aan [b-straat 1] heeft bij verkoop € 225.000,- minder opgebracht dan voorzien. De koop- en afbouwkosten van [a-straat 1] bedroegen totaal € 1.671.675,-. Dit alles kon niet gefinancierd worden vanuit het salaris van de man dan wel ander vermogen. Het gemiddelde jaarresultaat van Top Vision Group B.V. bleef gedurende de kredietcrisis sterk achter ten opzichte van de periode daarvoor en bedroeg slechts € 5.224,-. Er was daarom geen ruimte voor dividenduitkeringen. Het inkomen van de man ging volledig op aan de (het hof begrijpt: andere) kosten van de huishouding. Partijen waren daarom gedwongen te lenen van de vennootschappen.

De man betoogt voorts dat (1) de redenering van de rechtbank impliceert dat de man destijds of vermogen had en de vrouw alleen een deel van de rekening-courant schuld zou moeten voldoen voor zover de vrouw toen ook inkomen of vermogen zou hebben gehad, (2) de redenering van de rechtbank alleen is te begrijpen in de situatie waarin de man over voldoende inkomen of vermogen beschikte, maar ervoor koos een lening aan te gaan, (3) indien de redenering van de rechtbank wordt gevolgd, in de situatie waarin geen van partijen voldoende inkomen en vermogen heeft en partijen daarvoor een lening moeten aangegaan, die door één van hen wordt aangegaan, alleen die laatste partij gehouden is die schuld te voldoen, hetgeen haaks staat op de strekking van artikel 3 huwelijkse voorwaarden, die uitgaat van een draagplicht van partijen naar rato van hun inkomen en vermogen, (4) de uitkomst van de rechtbank zich niet laat verenigen met de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen de ex-echtgenoten mede bepaalt: partijen hebben geen vermogen, alleen schulden, in welk geval de ten behoeve van het draaiend houden van de gezinshuishouding gemaakte schulden niet eenzijdig op de man kunnen worden afgewenteld. De man betwist dat hij met het aangaan van de rekening-courant schuld geld heeft onttrokken aan zijn vermogen en langs die weg heeft voldaan aan artikel 3 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

4.2.3.

Ter onderbouwing van de lening van [betrokkene 1] heeft de man, naast de ondertekende overeenkomsten van geldlening van 21 september 2010 en 7 oktober 2010, een e-mail van [betrokkene 1] van 6 maart 2017 overgelegd, waarin deze bevestigt dat hij op 21 september en 7 oktober 2010 telkens € 30.000,- aan de man heeft geleend om de afbouw van de woning aan [a-straat 1] mogelijk te maken, alsmede bankafschriften waaruit de ontvangst van die bedragen blijkt. Daarmee heeft de man het bestaan van de leningen genoegzaam aangetoond.

De vrouw stelt dat zij bewust niet heeft getekend voor de lening van [betrokkene 2] (de vader van de man), omdat zij geen schulden meer wilde aangaan. Zij betwist dat het door de vader van de man geleende bedrag daadwerkelijk is overgemaakt en voor de woning is gebruikt. De man heeft daar tegenover aangevoerd dat partijen extra grond achter de woning aan [a-straat 1] hebben gekocht, welke grond op 1 september 2008 aan hen is geleverd. De financiering werd voorgeschoten uit het bouwdepot. Dit depot was bedoeld voor de bouw van de woning. Ter staving van dit betoog verwijst de man naar de door hem overgelegde voorlopige afrekening op naam van beide partijen van 29 mei 2008 voor de aankoop van het extra perceel en een declaratieformulier bouwdepot van 2 juni 2008 waaruit blijkt dat voor deze afrekening € 155.797,13 uit het bouwdepot werd betaald. In 2010 heeft de vader van de man het geleende bedrag voldaan. De vrouw wenste de overeenkomst volgens de man toen niet meer op haar naam omdat zij inmiddels een andere relatie had. De vrouw heeft deze gang van zaken niet nader gemotiveerd weersproken, zodat van de juistheid daarvan dient te worden uitgegaan.

4.2.4.

Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat de met de leningen verkregen bedragen zijn gebruikt voor de financiering van de bouw van de aan partijen in gezamenlijke eigendom toebehorende woning aan [a-straat 1] respectievelijk van de aankoop van een eveneens aan partijen in gezamenlijke eigendom toebehorend extra stuk grond achter die woning. De vrouw heeft weliswaar betwist dat zij, zoals de man onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden stelt, volledig en actief betrokken is geweest bij alle beslissingen over de aankoop en de bouw van de woning en de aankopen ten behoeve van de woning, zoals het extra stuk grond, maar deze betwisting niet nader toegelicht. Nu de woning voor de helft in eigendom aan de vrouw toebehoort, is de vrouw voor de helft draagplichtig voor de met de beide leningen gefinancierde uitgaven voor de woning en daarmee ook voor de leningen evenals de daaraan verbonden rentelasten, zij het dat haar draagplicht voor de helft van de lening van de vader van de man, gelet op het onder iii verzochte, is beperkt tot een bedrag van € 120.000,- met de daaraan verbonden rentelasten.

4.2.5.

Het betoog van de man met betrekking tot de rekening-courantschulden komt erop neer dat hij van beide vennootschappen gelden heeft geleend teneinde in de periode waarin partijen twee woningen gezamenlijk in eigendom hadden de rentelasten en andere lasten voor zowel [b-straat 1] als [a-straat 1] te kunnen voldoen. Tussen partijen is niet in geschil dat deze lasten deel uitmaken van de kosten van de huishouding.

Ter zake van de kosten van de huishouding zijn partijen in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat deze naar evenredigheid ten laste van ieders inkomen komen, en voor zover die inkomens ontoereikend zijn, naar evenredigheid ten laste van ieders vermogen. Tussen partijen staat vast dat in de periode waarin rente- en andere lasten voor beide woningen dienden te worden voldaan, de man slechts inkomen uit arbeid genoot en de vrouw in het geheel geen inkomen had. Gesteld noch gebleken is dat de man naast de aandelen in [A] B.V. over vermogen beschikte waarmee hij, voor zover zijn inkomen daartoe niet toereikend was, in die periode de volledige kosten van de huishouding inclusief de rente- en andere lasten voor de beide woningen heeft kunnen voldoen. De vrouw heeft weliswaar in die periode een bedrag van € 90.000,- ter beschikking gehad, maar daarvan is in 2009 € 36.000,- in het bouwdepot voor [a-straat 1] gestort en is een groot deel van het resterende bedrag, naar de vrouw stelt en de man onvoldoende gemotiveerd betwist, gebruikt voor de kosten van de huishouding. Tegen die achtergrond is de man, teneinde de volledige kosten van de huishouding inclusief de rente- en andere lasten voor de beide woningen te kunnen voldoen, de schulden aangegaan.

4.2.6.

Een redelijke uitleg van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden brengt naar het oordeel van het hof mee dat de schulden, nu de daarmee verkregen gelden zijn aangewend ter voldoening van de kosten van de huishouding, eveneens naar evenredigheid ten laste van ieders inkomen komen en, voor zover die inkomens ontoereikend zijn, naar evenredigheid ten laste van ieders vermogen. Dat de hoge rekening-courant schulden zijn ontstaan doordat de man er een riante levensstijl op nahield, zoals de vrouw stelt, heeft de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet onderbouwd, nog daargelaten dat voor de draagplicht voor de kosten van de huishouding niet van belang is wie daarvan heeft geprofiteerd. Gelet op de grenzen van de rechtsstrijd zal het hof bepalen dat het door de vrouw te dragen deel van de rekening-courantschulden niet meer bedraagt dan de helft van het bedrag van deze schulden. (...)

Conclusie

Zaak I

De bestreden beschikking zal worden vernietigd voor zover daarbij (...)

- de verzoeken van de man ten aanzien van de op naam van beide partijen staande schulden en de op zijn naam staande schulden zijn afgewezen.

Het hof zal de verzoeken ii, iii, iv, v, vi en vii van de man (deels) toewijzen als na te melden. De verzoeken i, viii en ix van de man worden afgewezen. De man heeft zijn vordering onder x ingetrokken.

De verzoeken van de vrouw zullen worden afgewezen.

5 Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummers 200.204.080/01 en 200.222.752/01

in principaal en incidenteel appel

vernietigt de bestreden beschikking van 24 augustus 2016 voor zover daarbij

- (...)

- de verzoeken van de man ten aanzien van (...) de op zijn naam staande schulden zijn afgewezen,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

(...)

bepaalt dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de schuld van de man aan [betrokkene 1] ten bedrage van € 60.000,- en voor de schuld aan de ouders van de man ten bedrage van € 120.000,-, alsmede voor de helft van de daarop toeziende rentelasten vanaf 2 juni 2015 tot de datum waarop deze schulden zijn afgelost;

bepaalt dat de vrouw naar evenredigheid van het inkomen van ieder van partijen en, voor zover die inkomens ontoereikend zijn, naar evenredigheid van het vermogen van ieder van partijen draagplichtig is voor de rekening-courantschulden van de man aan [A] B.V. en Top Vision Group per 2 juni 2015, doch niet meer dan voor de helft van het bedrag van voornoemde schulden, alsmede voor de daarop toeziende rentelasten vanaf 2 juni 2015 tot de datum waarop deze schulden zijn afgelost; (...)”

Onderdeel 1

2.2

Het onderdeel is gericht tegen het oordeel in rov. 4.2.4 dat, nu de woning aan [a-straat 1] voor de helft in eigendom aan de vrouw toebehoort, zij voor de helft draagplichtig is voor de met de leningen aan [betrokkene 1] en de ouders van de man gefinancierde uitgaven voor de woning en daarmee ook voor de leningen evenals de daaraan verbonden rentelasten. Geklaagd wordt allereerst dat het hof met dit oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden. In punt 1 van de toelichting stelt het onderdeel dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft overschreden indien het heeft geoordeeld dat de aard van de onderhavige gemeenschap met betrekking tot de woning aan [a-straat 1] meebrengt dat deze gemeenschap ook de schulden omvat aangegaan ter financiering (en tot onderhoud) van de woning.9 Ter toelichting op de klacht geeft het onderdeel in de punten 2 tot en met 6 van de toelichting als volgt het partijdebat weer:

- de man heeft in zijn appelschrift (onder 15 en 16) gesteld (i) dat de woning een eenvoudige gemeenschap betreft en dat de vrouw op grond van art. 3:172 BW deze schulden mede dient te dragen voor zover die schulden toezien op haar aandeel in de eigendom van de woning, en (ii) dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is als de vrouw wel als 50% eigenaar meeprofiteert van de verkoopopbrengst maar niet voor de helft hoeft mee te betalen aan de daarvoor gemaakte kosten;

- de vrouw heeft in haar verweerschrift tevens inhoudende incidenteel appel (onder 8) aangevoerd (i) dat de stelling van de man dat de schulden bij zijn ouders en [betrokkene 1] vallen binnen de eenvoudige gemeenschap van woning niet juist is omdat geen gemeenschap van deze schulden bestaat en de schulden uitsluitend op naam van de man staan, (ii) dat er derhalve geen sprake is van pluraliteit van schuldenaren en hoofdelijke verbondenheid, en (iii) dat zij niet draagplichtig kan zijn voor schulden die zij niet is aangegaan, nu partijen zijn gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen;

- de man heeft hierop in zijn verweerschrift in incidenteel appel (onder 10) alsmede tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep benadrukt dat hij niet stelt dat de schulden tot de eenvoudige gemeenschap behoren, doch wel dat de vrouw tot 50% gerechtigd is in de eigendom van de eenvoudige gemeenschap en dat zij om die reden in diezelfde verhouding dient bij te dragen in de financieringsschuld van de woning.

Het onderdeel klaagt in punt 8 van de toelichting dat, omdat de man onmiskenbaar niet de door het hof gehanteerde maatstaf aan zijn vorderingsrecht ten grondslag heeft gelegd, het hof die grondslag niet als basis mocht nemen voor zijn beslissing.

2.3

De klacht mist feitelijke grondslag in de bestreden beschikking. Het onderdeel stelt onder verwijzing naar de stellingen dat de man in hoger beroep heeft gesteld dat de vrouw voor de helft gerechtigd is in de eigendom van de eenvoudige gemeenschap (de woning aan [a-straat 1] ) en dat zij om die reden ook voor de helft dient bij te dragen in de financieringsschuld van de woning. Het hof heeft dit standpunt gevolgd. Niet kan worden gezegd dat het hof daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.

2.4

Het onderdeel komt in de punten 8 t/m 13 inhoudelijk op tegen het bestreden oordeel. Het onderdeel klaagt dat het oordeel onjuist is indien het hof “heeft gemeend” dat art. 3:172 BW toewijzing van het onderhavige verzoek mogelijk maakt. Het onderdeel stelt ter toelichting dat uit HR 11 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0365, NJ 1992/600 m.nt. W.M. Kleijn blijkt dat aanwending van uit leningen verkregen geldmiddelen ter financiering van de aankoop respectievelijk verbouwing van een gemeenschappelijke onroerende zaak, niet meebrengt dat het aangaan van de leningen kan gelden als een ten behoeve van (onderhoud en instandhouding van) het gemeenschappelijke pand verrichte handeling.10 Het onderdeel klaagt verder dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet is ingegaan op de - door het hof zelf in rov. 4.2.3 weergegeven - stellingen van de advocaat van de vrouw11 dat de vrouw de schulden van de man bij zijn ouders en [betrokkene 1] bewust niet heeft medeondertekend, omdat zij geen schulden meer wilde aangaan, dat zij zich zorgen maakte over de uitgaven van partijen en dat zij er pas later achter kwam dat de man de bewuste schulden toch was aangegaan. Het onderdeel stipt in dat verband aan dat de man heeft onderkend dat de vrouw “de desbetreffende overeenkomst” niet mee heeft willen ondertekenen.12 Het onderdeel stelt dat het hof deze stellingen had moeten bespreken, nu in het licht daarvan niet, althans niet zonder deugdelijke motivering, die ontbreekt, valt te begrijpen waarom de vrouw met betrekking tot de leningen draagplichtig zou zijn.

2.5

Bij de beoordeling van deze klachten stel ik voorop dat de voormalig echtelijke woning aan [a-straat 1] gezamenlijk eigendom is (was) van partijen. Zie rov. 2.4, in cassatie niet bestreden. De rechtbank heeft eerder in haar vonnis van 24 augustus 2016 overwogen dat deze woning (en de daartoe behorende inboedel) een eenvoudige gemeenschap betreft die voor verdeling in aanmerking komt (rov. 2.8.2). Art. 3:172 BW bepaalt, voor zover van belang, dat de deelgenoten in evenredigheid van hun aandelen bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. Ingevolge art. 3:184 lid 1 BW kan ieder der deelgenoten bij een verdeling verlangen dat op het aandeel van een andere deelgenoot wordt toegerekend hetgeen deze aan de gemeenschap schuldig is. De rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten worden, ook voor zover zij niet van verbintenisrechtelijke aard zijn, mede beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid.13 Art. 3:166 lid 3 BW verwijst daartoe naar art. 6:2 BW. Dat artikel geeft ruim baan aan de eisen van redelijkheid en billijkheid in het verbintenissenrecht. Voor zover het meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen betreft, is onder meer art. 6:248 BW van overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten zich daartegen niet verzet. De rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten kunnen ook voortvloeien uit een rechterlijke uitspraak. Ook dan stellen redelijkheid en billijkheid hun eisen.

2.6

Het hof heeft voorafgaande aan de thans door het onderdeel bestreden passage overwogen (i) dat voldoende is komen vast te staan dat de met de leningen verkregen bedragen zijn gebruikt voor de financiering van de bouw van de aan partijen in gezamenlijke eigendom toebehorende woning aan [a-straat 1] respectievelijk voor de aankoop van een eveneens aan partijen in gezamenlijke eigendom toebehorend extra stuk grond achter die woning en (ii) dat de vrouw weliswaar heeft betwist dat zij, zoals de man onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden stelt, volledig en actief betrokken is geweest bij alle beslissingen over de aankoop en de bouw van de woning en de aankopen ten behoeve van de woning, zoals het extra stuk grond, maar dat zij deze betwisting niet nader heeft toegelicht. Uit deze passage kan de conclusie worden getrokken dat naar het oordeel van het hof als onvoldoende gemotiveerd weersproken kan worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van de man dat de vrouw volledig en actief betrokken is geweest bij alle beslissingen over de aankoop en de bouw van de woning en de aankopen ten behoeve van de woning, zoals het extra stuk grond. Dit oordeel wordt in cassatie niet expliciet bestreden. Indien het door het onderdeel bestreden oordeel wordt bezien tegen de achtergrond van hetgeen het hof kort ervóór heeft overwogen, dan kan op goede gronden worden betoogd dat het bestreden oordeel in het licht van het hiervoor in 2.5 summier geschetste kader niet onjuist is. De motiveringsklacht mist feitelijke grondslag, nu het hof expliciet heeft overwogen dat de vrouw haar betwisting van de onderbouwde stellingen van de man niet nader heeft toegelicht. Het hof heeft de stellingen van de vrouw, waarnaar het onderdeel verwijst, derhalve in zijn oordeel betrokken. Het onderdeel faalt.

Onderdeel 2

2.7

Het onderdeel is gericht tegen het oordeel in rov. 4.2.6 dat een redelijke uitleg van art. 3 van de huwelijkse voorwaarden meebrengt dat de schulden, nu de daarmee verkregen gelden zijn aangewend ter voldoening van de kosten van de huishouding, eveneens naar evenredigheid ten laste van ieders inkomen komen en, voor zover die inkomens ontoereikend zijn, naar evenredigheid ten laste van ieders vermogen. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is.

2.8

De klacht wordt toegelicht in de punten 1 tot en met 11. Het onderdeel neemt in de punten 1 en 2 met juistheid tot uitgangspunt dat de uitleg van huwelijkse voorwaarden dient te geschieden aan de hand van de zgn. Haviltex-norm.14 In haar Conclusie vóór HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7277, NJ 2011/99 schrijft A-G Rank-Berenschot daarover het volgende:15

“2.4 (...) Hierbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Te denken valt aan de bewoordingen en context van de bepaling, de totstandkomingsgeschiedenis, aard en uitvoering van de overeenkomst, alsmede de hoedanigheid en deskundigheid van partijen. De Haviltex-maatstaf brengt mee dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin deze bepalingen zijn gesteld, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang. Bij toepassing van de Haviltex-maatstaf bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden komt mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft meegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen daarin volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben. De uitleg wordt derhalve uiteindelijk bepaald door de omstandigheden van het geval. De rechter is niet verplicht bij zijn uitleg andere dan de door partijen over en weer naar voren gebrachte gezichtspunten in zijn overwegingen te betrekken.

2.5

Voorts dient tot uitgangspunt dat de uitleg van huwelijkse voorwaarden is voorbehouden aan de feitenrechter en in cassatie slechts zeer beperkt ten toets kan komen. Indien de rechter bij de uitleg de juiste maatstaven hanteert, is zijn feitelijke beslissing in cassatie in beginsel onaantastbaar. Zij kan niet op juistheid worden getoetst en is slechts cassabel wegens onbegrijpelijkheid of onvoldoende motivering. Hierbij geldt dat een door de feitenrechter gegeven uitleg van een overeenkomst niet onbegrijpelijk is enkel op de grond dat een andere uitleg evenzeer mogelijk is.”

Het onderdeel neemt vervolgens in punt 3 tot uitgangspunt dat een krachtens een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet toepasselijk is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.16

2.9

Het onderdeel klaagt vervolgens dat het hof ten onrechte de volgende stellingen van de vrouw niet in zijn beoordeling heeft meegenomen (punten 4 t/m 11):17

( i) art. 3 van de huwelijkse voorwaarden brengt niet mee dat een door de man ten behoeve van de kosten van de huishouding aangegane schuld bij echtscheiding dient te worden ‘gedeeld’;

(ii) indien en voor zover de man destijds daadwerkelijk genoodzaakt was om dergelijke schulden aan te gaan omdat beide partijen onvoldoende inkomen en vermogen hadden, had het op zijn weg gelegen om dit bespreekbaar te maken en samen met de vrouw een passende oplossing te vinden (verhuizen, méér werken, samen een lening afsluiten, etc.), in plaats van (kennelijk) aan zijn eigen bedrijven grote bedragen te onttrekken;

(iii) het feit dat deze schulden zijn aangegaan uitsluitend op naam van de man biedt al voldoende bewijs van het feit dat de man de vrouw nooit ergens bij heeft betrokken;

(iv) de vrouw nooit heeft vermoed dat deze schulden aan de zijde van de man bestonden; en

( v) de vrouw wist niet dat de schuld zo opliep.

Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat de hiervoor in 2.8 weergegeven normen - de Haviltex-norm en art. 6:248 lid 2 BW - meebrengen dat het hof verplicht was de genoemde stellingen van de vrouw te bespreken, nu die stellingen betrekking hebben op de strekking en uitvoering door partijen van de huwelijkse voorwaarden, althans dat het hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang, zodat zijn beslissing zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

2.10

Bij de bespreking van de klachten stel ik voorop dat het hof in de rechtsoverwegingen 4.2.5 en 4.2.6 uitsluitend oordeelt over de rekening-courantschulden bij Top Vision Group en bij [A] . Het hof heeft in rov. 4.2.6 overwogen dat de met deze schulden verkregen gelden zijn aangewend ter voldoening van de kosten van de huishouding. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden.

2.11

Het bestreden oordeel moet naar mijn mening worden bezien in het licht van hetgeen het hof in rov 4.2.5 heeft overwogen. Het hof heeft daar de achtergrond geschetst voor het aangaan door de man van de schulden aan de vennootschappen om de volledige kosten van de huishouding inclusief de rente- en andere lasten voor beide woningen van partijen te kunnen voldoen. Het hof heeft in dat verband overwogen (i) dat in de periode waarin rente- en andere lasten voor beide woningen dienden te worden voldaan, de man slechts inkomen uit arbeid genoot en de vrouw in het geheel geen inkomen had, (ii) dat gesteld noch gebleken is dat de man naast de aandelen in [A] over vermogen beschikte waarmee hij, voor zover zijn inkomen daartoe niet toereikend was, in die periode de volledige kosten van de huishouding inclusief de rente- en andere lasten voor beide woningen heeft kunnen voldoen, (iii) dat de vrouw in die periode een bedrag van € 90.000,- ter beschikking heeft gehad, maar dat daarvan in 2009 € 36.000,- in het bouwdepot voor [a-straat 1] is gestort en dat een groot deel van het resterende bedrag is gebruikt voor de kosten van de huishouding. In zijn appelschrift heeft de man onder het kopje “De schulden in rekening-courant” (nrs. 18 t/m 25) gemotiveerd geschetst dat de schulden in rekening-courant het gevolg zijn van de onmogelijkheid van partijen om de kosten van hun huishouding (dan wel het verlies op de verkoop van hun voormalige woning aan [b-straat 1] ) te financieren uit hun inkomen of hun vermogen. De vrouw heeft tegen de stellingen van de man de hiervoor in 2.9 weergegeven stellingen aangevoerd, alsmede de stelling dat de hoge rekening-courant schulden zijn ontstaan doordat de man er een riante levensstijl op nahield. Laatstgenoemde stelling heeft het hof verworpen in rov. 4.2.6 en tegen dat oordeel wordt in cassatie geen klacht gericht. De stellingen die het onderdeel noemt, komen er in de kern op neer dat de vrouw heeft aangevoerd dat de man met haar overleg had moeten hebben over het aangaan van de schulden, dat de man dat niet heeft gedaan, en dat de vrouw van het bestaan en de hoogte van de schulden geen weet had. De man heeft de stellingen van de vrouw als volgt weersproken in zijn verweerschrift in incidenteel appel (nr. 11):

“(...) de man zou de vrouw nooit ergens bij betrokken hebben → de vrouw gaat geen zee te hoog. Zij stapelt de ene onwaarheid op de andere. Het tegendeel is namelijk waar. De man heeft de vrouw altijd betrokken bij zaken die hen gezamenlijk aangingen. De vrouw heeft deel gehad aan de gesprekken met de architecten, bouwers en toeleveranciers. Ze is actief betrokken geweest bij het ontwerp en de realisatie van de tuin, de inrichting en de indeling van de woning, net zoals dat bij de voorgaande woning het geval was. Offertes zijn doorgenomen, begrotingen gemaakt en doorgesproken en belangrijke beslissingen zijn samen genomen. Vele wijzigingen op de plannen zijn aangebracht en er is geswitcht van architect toen de vrouw dat nodig vond.

Dat er goed overleg tussen de man en vrouw plaatsvond over en tijdens de bouw, blijkt (louter ter adstructie) uit de mailwisseling van 25 juli 2010 (productie 33). Wellicht dat dit de herinnering van de vrouw opfrist. De man maakte altijd heldere overzichten van de bouwbegrotingen die vervolgens uitgebreid werden besproken (productie 34);

De administratie is altijd bijzonder overzichtelijk en compleet geweest; vrij toegankelijk voor de vrouw en geordend per jaar in twee privé mappen en één map voor de holding van de man. Deze mappen staan thuis en zijn compleet vanaf het boekjaar 1998 (productie 35).Vanaf het moment dat de kredietcrisis een aanvang nam werd er met nog grotere regelmaat gesproken over de consequenties daarvan voor de onderneming en de financiële situatie van partijen in privé. In de periode tussen de twee echtscheidingsaanvragen in heeft de vrouw met regelmaat de administratie doorgespit en stukken meegenomen, waardoor onder andere de administratie van de holding incompleet werd.”

2.12

Het onderdeel betoogt op zich met juistheid dat het hof de stellingen van de vrouw die het onderdeel noemt, in de bestreden beschikking niet expliciet noemt. Het hof heeft eerder in rov. 4.2.4 wel overwogen dat de vrouw haar betwisting van de (onderbouwde) stelling van de man dat zij volledig en actief betrokken is geweest bij alle beslissingen over de aankoop en de bouw van de woning en de aankopen ten behoeve van de woning niet nader heeft toegelicht. Zoals gezegd kan hieruit worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat dat de vrouw (volledig en actief) betrokken is geweest bij alle beslissingen over de aankoop en de bouw van de woning en de aankopen ten behoeve van de woning. In het licht van deze vaststelling, in samenhang bezien met het hiervoor weergegeven oordeel in rov. 4.2.5, zou op goede gronden kunnen worden betoogd dat het hof de stellingen die het onderdeel noemt, wel onder ogen heeft gezien doch klaarblijkelijk heeft verworpen. Indien (een groot deel van) de van de ouders van de man en [betrokkene 1] geleende bedragen zijn gebruikt voor de financiering van de bouw van de woning aan [a-straat 1] en de aankoop van het extra stuk grond achter die woning, en partijen in de betreffende jaren niet voldoende inkomen en vermogen hadden om geheel in de (hoge) kosten van de huishouding te voorzien, dan is aannemelijk dat de schulden in rekening-courant zijn aangewend ter voldoening van die kosten en dat de vrouw daar ook wetenschap van moet hebben gehad. Het hof heeft daartoe ook in rov. 4.2.5 overwogen dat de dubbele rentelasten en andere lasten voor zowel [b-straat 1] als [a-straat 1] te [woonplaats] onbetwist kosten van de huishouding zijn. Dat de vrouw op de hoogte was van de dubbele rentelasten staat vast. Het gedane beroep op art. 6:248 lid 2 BW, in die zin dat de schulden in rekening-courant in de onderlinge verhouding tussen partijen geheel voor rekening van de man zouden moeten komen, faalt in het licht van de veronderstelde wetenschap aan de zijde van de vrouw. Het oordeel van het hof is feitelijk en niet onbegrijpelijk.

2.13

Gelet op het voorgaande dient het principale cassatieberoep te worden verworpen.

3 Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele cassatieberoep

4 Conclusie in het principale en incidentele cassatieberoep