Home

Parket bij de Hoge Raad, 11-01-2022, ECLI:NL:PHR:2022:22, 20/02921

Parket bij de Hoge Raad, 11-01-2022, ECLI:NL:PHR:2022:22, 20/02921

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11 januari 2022
Datum publicatie
13 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:22
Formele relaties
Zaaknummer
20/02921

Inhoudsindicatie

Conclusie PG over de regeling van rechtsmiddelen tegen een beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders. De PG bespreekt de wijzigingen die de Wet USB in dit verband heeft meegebracht. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in het beroep in cassatie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02921 B

Zitting 11 januari 2022

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt

In de zaak

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de veroordeelde.

Het cassatieberoep

1. De penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de veroordeelde bij beslissing van 3 september 2020 niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. Het hoger beroep was gericht tegen de beslissing van 3 maart 2020 van de rechtbank Den Haag tot tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel). De ISD-maatregel was door dezelfde rechtbank bij uitspraak van 17 september 2019 voorwaardelijk opgelegd, waarbij onder meer als bijzondere voorwaarde was gesteld dat de veroordeelde zich in het kader van behandeling zou laten opnemen in een zorginstelling. De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 3 maart 2020 vastgesteld dat de genoemde bijzondere voorwaarde niet is nageleefd en heeft de tenuitvoerlegging bevolen.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de veroordeelde. M.J. de Jongh, advocaat te Leiden, heeft een schriftuur ingediend en twee middelen van cassatie voorgesteld.

De beslissing van het hof

3. Het hof heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep het volgende overwogen:

Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman

Primair heeft de raadsman aangevoerd dat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in aanmerking dient te worden genomen dat het vonnis waarbij de maatregel voorwaardelijk is opgelegd, dateert van vóór 1 januari 2020. De bepalingen van de op 1 januari 2020 in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: Wet USB), waardoor na 1 januari 2020 geen rechtsmiddel meer openstaat tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel, zijn in strijd zijn met de fundamentele beginselen van het strafrecht, nu die evident ongunstiger zijn voor de veroordeelde.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de wetgever weliswaar ook vóór 1 januari 2020 het uitgangspunt had dat er geen beroep mogelijk was tegen beslissingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straffen en maatregelen, maar dat er op grond van artikel 509ff van het Wetboek van Strafvordering (Sv) (oud) een uitzondering voor de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke opgelegde plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders gold. Het laten vallen van deze uitzondering zou een onbedoeld (en ongewenst) effect zijn van de invoering van de Wet USB en verwacht wordt dat deze fout op korte termijn zal worden hersteld.

Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het wegvallen van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen de bestreden beslissing in strijd is met de artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Het is immers goed denkbaar dat een veroordeelde zich kan neerleggen bij de voorwaardelijk opgelegde maatregel, maar het niet eens is met het oordeel dat hij de voorwaarden heeft geschonden dan wel dat die schending de tenuitvoerlegging rechtvaardigt. Nu de maatregel in beginsel strekt tot vrijheidsontneming gedurende twee jaren is de tenuitvoerlegging daarvan dusdanig ingrijpend dat het onthouden van de mogelijkheid van beroep tegen het besluit tot tenuitvoerlegging in strijd is met Europees recht.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de veroordeelde ontvankelijk is in zijn hoger beroep, nu het beroep tijdig is ingesteld en de maatregel voorwaardelijk is opgelegd bij een vóór 1 januari 2020 gewezen vonnis. De grondslag van de tenuitvoerlegging is immers de beslissing van de rechtbank Den Haag van 17 september 2019. De wetswijziging van 1 januari 2020 mag niet in het nadeel van de veroordeelde worden uitgelegd.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft op 19 maart 2020 een beslissing gegeven in een zaak waarin beroep was ingesteld tegen een beslissing van de rechtbank tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders wegens overtreding van een bijzondere voorwaarde (ECLI:NL:GHARL:2020:2395). Het hof heeft in die zaak onder meer het volgende overwogen:

“Met de inwerkingtreding van de Wet USB op 1 januari 2020 zijn artikel 38r van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 509ff van het Wetboek van Strafvordering (Sv) komen te vervallen. Ingevolge deze artikelen stond - in verbinding met artikel 67, eerste lid, van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (RO) - tegen een beslissing van de rechtbank ter zake van de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders hoger beroep open bij deze kamer van dit hof: de zogenoemde penitentiaire kamer. Dit gold zowel bij overtreding van de algemene voorwaarden, bedoeld artikel 38p, derde lid, Sr, als bij overtreding van de bijzondere voorwaarden, bedoeld in artikel 38p, vierde lid, Sr, Daarmee week deze regeling af van de regeling in artikel 14j, eerste lid, Sr, zoals die luidde tot 1 januari 2020, omdat in alle gevallen van tenuitvoerlegging hoger beroep mogelijk was en dit hoger beroep bovendien was geconcentreerd bij de penitentiaire kamer. In zoverre en omdat de behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging niet noodzakelijkerwijs gelijktijdig met een nieuwe strafzaak wordt behandeld, wijkt deze zaak af van de rechtsvraag die de Procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft besproken in zijn vordering tot cassatie in het belang der wet van 18 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:160, en waarop de Hoge Raad heeft beslist op 6 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:389.

Sinds 1 januari 2020 zijn de volgende bepalingen in hoofdstuk 6 van boek 6 van het Wetboek van Strafvordering ter zake van rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging van belang. Ingevolge artikel 6:6:21, eerste lid, onder a, Sv is de rechter bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden. Ingevolge artikel 6:6:7 Sv zijn rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen, voor zover in hoofdstuk 6 van boek 6 Sv niet anders is bepaald. Dit hoofdstuk, met name artikel 6:6:22, eerste lid, Sv, bevat geen bepaling die beroep mogelijk maakt tegen een rechterlijke beslissing ter zake de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel.

In de Memorie van Toelichting bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Tweede Kamer 2014-2015, 34086, nr. 3, blz. 107) wordt weliswaar ingegaan op de redenen om niet langer hoger beroep open te stellen tegen beslissingen die worden genomen na overtreding van een bij een voorwaardelijke veroordeling gestelde bijzondere voorwaarde, maar er wordt niet afzonderlijke aandacht besteed aan de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel en daarmee niet aan de van artikel 14j, eerste lid, Sr afwijkende regeling in de artikelen 38r Sr en 509ff Sv. Desalniettemin is het hof op grond van de tekst en de strekking van de Wet USB van oordeel dat de mogelijkheid van hoger beroep bij de penitentiaire kamer tegen een beslissing ter zake van de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke ISD – wegens overtreding van een algemene en/of een bijzondere voorwaarde – met de invoering van die wet is komen te vervallen. De wet bevat geen overgangsregeling. In beginsel hebben strafvorderlijke bepalingen onmiddellijke werking.”

In de genoemde zaak is de veroordeelde niettemin ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, waarbij het hof – kort samengevat – heeft overwogen dat het in strijd is met de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid om de ontvankelijkheid van een op zichzelf tijdig ingesteld hoger beroep af te laten hangen van de omstandigheid of de behandeling van dat beroep voor dan wel na de inwerkingtreding van de Wet USB plaatsvindt.

De onderhavige zaak wijkt, voor zover hier relevant, van bovengenoemde zaak af omdat het hoger beroep is ingesteld tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging die is gewezen na de invoering van de hiervoor besproken wetswijziging per 1 januari 2020. De strafvorderlijke bepalingen van de Wet USB gelden dus onverkort, met als gevolg dat geen beroep meer openstaat tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel wegens overtreding van een bijzondere voorwaarde. Dit is niet anders omdat, zoals door de raadsman en de advocaat-generaal is gesteld, die beslissing de tenuitvoerlegging betreft van een voorwaardelijk opgelegde maatregel die zijn grondslag vindt in een vonnis dat is gewezen vóór 1 januari 2020.

Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van de veroordeelde wijst het hof op de op 25 juli 2020 in werking getreden Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb, 2020, 225). In deze reparatiewet zijn enkele omissies en andere fouten in de Wet USB hersteld, zoals die na inwerkingtreding van die wet naar voren zijn gekomen en die mede aanleiding hebben gegeven tot de genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 6 maart 2020. De wetgever heeft daarbij onderkend dat de beroepsmogelijkheid tegen een beslissing over de tenuitvoerlegging is vervallen, maar dat niet geheel duidelijk uit de formulering van de Wet USB blijkt dat nog steeds beroep mogelijk is tegen beslissingen tenuitvoerlegging bij overtreding van een algemene voorwaarde, voor zover deze deel uitmaken van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit. Artikel 6:6:22, eerste lid, onder b, Sv is in die zin aangepast. Dit betekent dat op grond van deze bepaling nu beroep mogelijk is bij een gerechtshof (niet de penitentiaire kamer) tegen een beslissing van de rechtbank over de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegd ISD-maatregel wegens een overtreding van de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen nieuw strafbaar feit pleegt (artikel 38p, derde lid, onder a, Sr). Daarvan is in deze zaak echter geen sprake. Hier gaat het niet om samenloop met een nieuw strafbaar feit, maar om een afzonderlijke vordering van de officier van justitie en afzonderlijke beslissing van de rechtbank wegens overtreding van een aan de voorwaardelijke maatregel verbonden bijzondere voorwaarde. Er zijn in de genoemde reparatiewet geen andere wijzigingen in de bepalingen van de beroepsmogelijkheid tegen beslissingen tenuitvoerlegging aangebracht en – zo blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de reparatiewet (TK 2019-2020, 35436, nr. 3, pagina 7) – evenmin overwogen. De wetgever heeft dus kennelijk geen noodzaak gezien om de vervallen beroepsmogelijkheid van artikel 509ff Sv (oud) geheel te herstellen.

Wat betreft het meer subsidiaire standpunt van de veroordeelde heeft het hof in de aangehaalde beslissing van 19 maart 2020 overwogen dat de beoordeling van een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel moet worden aangemerkt als een procedure in de zin van artikel 5, vierde lid, van het EVRM. Deze bepaling is van toepassing als zich na een veroordeling nieuwe vragen over de rechtmatigheid van detentie voordoen (zie o.a. Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) 30 januari 2018, nr. 18233/16, Etute tegen Luxemburg, ro. 25). Deze bepaling verplicht echter niet tot een rechterlijke beoordeling in twee instanties (zie o.a. EHRM 17 juli 2007, nr. 48666/99, Kučera tegen Slovakije, ro. 107). De afschaffing van de appelmogelijkheid is dan ook niet in strijd met het EVRM, Kučera tegen Slovakije, ro. 107). De afschaffing van de appelmogelijkheid is dan ook niet in strijd met het , nog daargelaten welke consequentie aan een schending van dit verdrag had moeten worden verbonden.

Het hof is dan ook van oordeel dat de veroordeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep.”

De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

Het wettelijk kader

Opmerkingen naar aanleiding van de schriftuur

Slotsom