Rechtbank Den Haag, 18-07-2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:9666, 10325521 \ RL EXPL 23-2243
Rechtbank Den Haag, 18-07-2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:9666, 10325521 \ RL EXPL 23-2243
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 18 juli 2023
- Datum publicatie
- 8 augustus 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9666
- Zaaknummer
- 10325521 \ RL EXPL 23-2243
Inhoudsindicatie
Kern van het geschil is of de contractuele boeterente over de boedelvordering is verjaard? De vervallen huurtermijn over de opzegperiode van de huurovereenkomst na faillissement is een boedelvordering. Het faillissement is na dertien jaar nog niet afgewikkeld. De curatoren doen een beroep op verjaring ten aanzien van de contractuele boeterente over de huurtermijn.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Gravenhage
NvE/c
Zaaknummer: 10325521 \ RL EXPL 23-2243
Vonnis van 18 juli 2023
in de zaak van
[eiser01] ,
wonende te [woonplaats01] , (Zwitserland),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser01] ,
gemachtigde: mr. R.M. Köhne,
tegen
1. mr. [naam01] , IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN CURATOR IN HET FAILLISSEMENT VAN VAN HOOGEVEST BOUW B.V. ,
gevestigd te Veenendaal, 2. mr. [naam] , IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN CURATOR IN HET FAILLISSEMENT VAN VAN HOOGEVEST BOUW B.V. ,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Curatoren,
gemachtigde: mr. M.C. Evertse.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 25 april 2023 met de daarin genoemde stukken, - de mondelinge behandeling van 5 juni 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten
Beleggingscombinatie G+R heeft met ingang van 1 maart 2006 het bedrijfsgebouw aan de [adres01] te [plaats] verhuurd aan Van Hoogevest Den Haag B.V. De huurovereenkomst is aangegaan voor vijf jaar en liep tot 28 februari 2011. De huurprijs per 1 maart 2009 bedroeg € 29.741,62 inclusief btw per kwartaal.
Van Hoogevest Den Haag B.V. heeft aan Beleggingscombinatie G+R een bankgarantie afgegeven ten bedrage van € 28.262,50. In de bankgarantie staat onder meer het volgende:
“ (...)
ABN AMRO Bank N.V. (...) verklaart zich door deze bij wijze van zelfstandige verbintenis tegenover verhuurder (...) onherroepelijk en onvoorwaardelijk garant te stellen voor al hetgeen huurder ingevolge de bovengenoemde huurovereenkomst, (...) (ten laste van huurder komende schadevergoedingen daaronder begrepen) of wegens voor huurder verrichte diensten aan verhuurder (...) verschuldigd zal worden.
Ondergetekende verplicht zich voorts om als eigen schuld aan verhuurder (...) te zullen vergoeden alle schade, door hem te lijden, doordat de huurovereenkomst in geval van faillissement (...), ingevolge de opzegging door de curator (...) tussentijds zal worden beëindigd.
(...)
Ondergetekende verbindt zich op eerste schriftelijk verzoek van verhuurder (...), zonder opgave van redenen te verlangen of nader bewijs te vragen, aan verhuurder te zullen voldoen al hetgeen verhuurder volgens diens schriftelijke verklaring uit hoofde van deze garantie van ondergetekende vordert, met inachtneming van bovenvermeld maximum bedrag.
(...) ”.
Onderdeel van de huurovereenkomst zijn de ‘algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte’ (hierna: de algemene bepalingen). Daarin is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
“ (...)
Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan de verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300,00 per maand.
(...) ”.
De statutaire naam van Van Hoogevest Den Haag B.V. is op 2 januari 2008 gewijzigd in Van Hoogevest Bouw B.V.
Van Hoogevest Bouw B.V. is bij rechterlijke uitspraak van 4 februari 2009 in staat van faillissement verklaard. De Curatoren zijn benoemd als curator.
De Curatoren hebben bij brief van 9 maart 2009 op grond van artikel 39 Faillissementswet (Fw) de huurovereenkomst opgezegd per 9 juni 2009.
De over de periode van 1 april 2009 tot 9 juni 2009 (2e kwartaal 2009, hierna: Q2) verschuldigde huur bedraagt € 23.097,17. De Curatoren hebben een bedrag van € 23.097,11 als boedelvordering erkend.
Bij brief van 20 april 2009 heeft [eiser01] namens Beleggingscombinatie G+R bij de ABN/Amro Bank de bankgarantie ingeroepen. In die brief staat het volgende:
“ (...)
Bijgaand treft U conform Uw verzoek bij schrijven d.d. 1 april 2009 ons door mevrouw [naam02] voor akkoord getekend verzoek aan om uit hoofde van bovengenoemde garantie aan verhuurder te voldoen het maximumbedrag van € 28.626,50 vanwege schade ingevolge de opzegging van de huurovereenkomst door de curator.
(...) ”.
De bank heeft bij brief van 29 april 2009 aan [eiser01] bevestigd dat het bedrag is overgemaakt conform de gegeven instructies.
[eiser01] heeft tot 1 april 2018 samen met mevrouw [naam02] gehandeld onder de naam Beleggingscombinatie G+R. De onderhavige vordering van Beleggingscombinatie G+R is toebedeeld aan [eiser01] .
De Curatoren hebben bij brief van 16 september 2022 [eiser01] in de gelegenheid gesteld binnen veertien dagen mee te delen of [eiser01] aanspraak wil maken op vertragingsrente.
Bij e-mail van 27 september 2022 heeft [eiser01] als volgt op de brief van 16 september 2022 gereageerd:
“ (...)
De huurovereenkomst betreffende de [adres01] te [plaats] liep van 1 maart 2006 tot en met 28 februari 2011(...) De huurovereenkomst is door de huurder opgezegd tegen 28 februari 2011 (...)
De huur over Q2 bedroeg € 29.741,62. Daarvoor is de bankgarantie ad € 28.626,50 uitgewonnen (...) Mitsdien staat van de huur over Q2 2009 nog een bedrag ad € 1.151,20 open.
De huur vanaf Q3 2009 tot 28 februari 2011 is onbetaald gebleven, (...)
Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 maken wij aanspraak op de contractuele boeterente ex artikel 18.2 algemene bepalingen van 2% per maand zijnde in totaal € 566.377,42 (...) ”.
3 Het geschil
[eiser01] vordert - samengevat - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [eiser01] een boedelvordering heeft van € 23.097,17, te vermeerderen met de samengestelde contractuele boeterente van 2% per maand over dat bedrag vanaf 1 april 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, althans de enkelvoudige contractuele boeterente van € 300,- per maand en met de wettelijke (handels)rente over de verschuldigde boeterente vanaf 26 januari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede veroordeling van de curatoren in de proceskosten.
[eiser01] legt – kort gezegd – aan zijn vordering ten grondslag dat de huur voor Q2 nog niet is betaald en dat die vordering als boedelvordering moet worden aangemerkt. Voorts moet de contractuele rente over de boedelschuld ook als boedelschuld worden aangemerkt. Daarbij maakt [eiser01] primair aanspraak op samengestelde contractuele boeterente, omdat de huurschuld na de volgende maand toeneemt met de boeterente van de maand daarvoor.
De Curatoren voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser01] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser01] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser01] in de kosten van deze procedure.
Zij voeren als verweer dat Q2 al is voldaan door gebruikmaking van de bankgarantie op 20 april 2009. De bank heeft op grond van artikel 6:43 lid 1 BW als schuldenaar de mogelijkheid om aan te geven waar een betaling aan toegerekend moet worden. De bank heeft dat in dit geval niet gedaan, zodat op grond van lid 2 van dit artikel de toerekening plaatsvindt op de opeisbare vorderingen. Tussen 20 april 2009 en 29 april 2009 was alleen Q2 opeisbaar. Onduidelijk was immers nog of er per 10 juni 2009 schade zou optreden, omdat wellicht tijdig een nieuwe huurder gevonden kon worden. Uit het bericht van 27 september 2022 van [eiser01] blijkt dat ook hij ervan uit is gegaan dat de bankgarantie is getrokken voor de voldoening van Q2.
De contractuele boeterente is verjaard, omdat er meer dan vijf jaren zijn verstreken (artikel 3:308 BW) na opeisbaar worden van de boeterente. Op 1 april 2009 had Q2 betaald moeten worden, zodat op 2 april 2009 de boeterente opeisbaar werd. De vordering verjaarde op 2 april 2014, nu er geen (tijdige) stuiting heeft plaatsgevonden.
Tot slot als er al contractuele boeterente verschuldigd is dan is die slechts enkelvoudig verschuldigd en niet cumulatief/samengesteld zoals primair gevorderd. Uit meerdere arresten (ECLI:NL:GHAMS:2019:4499 en ECLI:NL:GHARL:2022:993) volgt dat de boeterente in ROZ-modellen niet cumuleert. Mocht enige rente toegewezen worden dan slechts de enkelvoudige rente en verzoeken de Curatoren om de vordering op dat onderdeel te matigen.