Home

Rechtbank Noord-Holland, 01-08-2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:7413, HAA - 22 _ 1684

Rechtbank Noord-Holland, 01-08-2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:7413, HAA - 22 _ 1684

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
1 augustus 2023
Datum publicatie
9 augustus 2023
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2023:7413
Zaaknummer
HAA - 22 _ 1684
Relevante informatie
Art. 225 Gemw, Art. 6:5 Awb, Art. 6:6 Awb

Inhoudsindicatie

Beroep niet-ontvankelijk vanwege het niet overleggen van de bestreden uitspraak op bezwaar en het niet appellabel zijn van de overgelegde brief.

Gelet op de gegeven omstandigheden acht de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep vanwege het niet overleggen van de bestreden uitspraak op bezwaar in overeenstemming met de strekking van artikel 6:5, tweede lid, van de Awb. Dit voorschrift strekt ertoe een goed verloop van de procedure te bevorderen. Omdat gemachtigde de uitspraak op bezwaar, ondanks het verzoek daartoe van de rechtbank, niet heeft overgelegd terwijl dat wel mogelijk was komt naar het oordeel van de rechtbank het goede verloop van de procedure in het gedrang. Voor zover het beroep betrekking heeft op de overgelegde brief is het beroep ook niet-ontvankelijk. Deze brief is vanwege het gesloten stelsel van rechtsbescherming niet aan te merken als een besluit waartegen beroep bij de belastingrechter ingesteld kan worden.

Uitspraak

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 22/1684

(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 28 november 2021 een naheffingsaanslag parkeerbelasting ten bedrage van € 66,85 (€ 3,35 parkeerbelasting en € 63,50 naheffingskosten) aan eiser opgelegd.

Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2023 te Haarlem. Eiser is vertegenwoordigd door mr. P.C. Van den Aarsen, kantoorgenoot van gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 28 november 2021 omstreeks 15:29 uur constateerde een parkeercontroleur van de gemeente Zaanstad dat de auto met kenteken [kenteken 2] (hierna: de auto) in de [straat] te [plaats 2] geparkeerd stond. Ten tijde van voormelde parkeercontrole was ter plaatse parkeerbelasting verschuldigd. Bij controle stelde de parkeercontroleur vast dat geen parkeerbelasting voor het parkeren van de auto was voldaan. De parkeercontroleur heeft vervolgens aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ter hoogte van
€ 66,85 (€ 3,35 parkeerbelasting en € 63,50 naheffingskosten).

2. Op 1 december 2021 heeft eiser bezwaar aangetekend tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting met als reden: “Ik heb mijn mobiel parkeren niet op starten gedrukt”. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser bezwaar aangetekend tegen de naheffingsaanslag, “alle op de zaak betrekking hebbende” stukken opgevraagd en aangevoerd dat het verweer zich vooralsnog beperkt tot een “algemene ontkenning van (...) het belastbare feit, alsmede een algemene ontkenning van de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen en een algemene ontkenning van de bevoegdheid van de functionaris die de aanslag heeft opgelegd.”.

3. Op 7 januari 2022 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan en deze aan eiser toegezonden.

4. Verweerder heeft de gemachtigde van eiser per brief met dagtekening 13 januari 2022 laten weten dat het op 1 december 2021 ingediende bezwaarschrift van eiser op 7 januari 2022 is afgehandeld. Voorts staat in de brief van 13 januari 2022 – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“Als bijlage ontvangt u van mij een kopie van de uitspraak op bezwaar, de door u opgevraagde stukken plus het brondocument.”

Tot de gedingstukken behoort voorts een e-mailbericht van 11 januari 2022 aan een drietal e-mailadressen van gemachtigde met bijlagen en de begeleidende tekst: “Bijgaand ontvangt u een antwoord op uw bezwaar”. In de aanhef van de e-mail is in de onderwerpregel (subject) - voor zover hier van belang - vermeld “Zaak [nummer 1] - [naam 2] -Voorbach, N.G.A. (…)”. Voorts zijn in de aanhef van de e-mail de bijlagen (attachments) als volgt aangeduid: “Dossiernummer [nummer 2] .pdf (3 pages), Alreeds uitspraak op bezwaar gedaan Zaaknummer [nummer 1] .pdf (2 pages), De opgevraagde stukken.pdf (1 page), Brondocument _2_.pdf (7 pages)”.

5. De gemachtigde van eiser heeft op 17 februari 2022 beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is een afschrift overgelegd van de brief van 13 januari 2022. Er is geen afschrift overgelegd van de uitspraak op bezwaar van 7 januari 2022.

6. De griffie van de rechtbank heeft op 7 juni 2023 een brief aan de gemachtigde van eiser gestuurd waarin hem verzocht is, uiterlijk binnen vier weken na de datum van verzending van deze brief, een kopie toe te sturen van de uitspraak op bezwaar. In deze brief is vermeld dat het niet (tijdig) voldoen aan dit verzoek kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De gemachtigde van eiser heeft per brief van 16 juni 2023 gereageerd en daarin gesteld dat hij niet aan het verzoek kan voldoen, omdat hij nimmer de uitspraak op bezwaar van verweerder heeft ontvangen.

Geschil 7. In geschil is of de uitspraak op bezwaar op de juiste wijze bekendgemaakt is en of sprake is van schending van de hoorplicht.

8. Eiser stelt dat de uitspraak op bezwaar niet op de juiste wijze bekendgemaakt is en dat verweerder de hoorplicht geschonden heeft. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, terugwijzing van de zaak naar verweerder en een veroordeling van verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.

9. Verweerder stelt dat de uitspraak op bezwaar zowel aan eiser zelf als aan de gemachtigde van eiser is toegezonden en dat eiser niet is benadeeld doordat hij niet is gehoord. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

11. Alvorens wordt toegekomen aan de behandeling van het geschilpunt zal de rechtbank eerst de ontvankelijkheid van het beroep beoordelen. Op grond van artikel 6:5, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), dient de indiener van het beroep bij het beroepschrift zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft te overleggen. Dit voorschrift strekt ertoe een goed verloop van de procedure te bevorderen. Zo moet bijvoorbeeld duidelijk zijn tegen welk besluit het beroep is gericht. In het arrest HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:974, rov. 2.5, is daarover het volgende overwogen:

“Opmerking verdient dat het voorschrift dat bij het beroepschrift zo mogelijk het bestreden besluit wordt overgelegd, ertoe strekt een goed verloop van de procedure te bevorderen. Zo moet duidelijk zijn welk bestuursorgaan als verweerder in de zaak moet worden betrokken en tegen welk besluit het beroep is gericht. Blijken uit het beroepschrift de zojuist bedoelde gegevens in voldoende mate, dan is geen belang gediend met niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op de grond dat de indiener ervan heeft verzuimd het besluit over te leggen.”

12. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onderdeel a, van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

13. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser de uitspraak op bezwaar niet heeft overgelegd. Door middel van de in overweging 6 vermelde brief van 7 juni 2023 heeft de rechtbank gemachtigde voorafgaand aan de zitting de mogelijkheid geboden dit verzuim te herstellen binnen een termijn van vier weken. Daarbij is erop gewezen dat niet-ontvankelijkverklaring kan volgen indien het verzuim niet tijdig wordt hersteld. De gemachtigde van eiser heeft in zijn schriftelijke reactie hierop gesteld dat hij niet aan het verzoek van de rechtbank kan voldoen, omdat hij nimmer de uitspraak op bezwaar van verweerder heeft ontvangen. Volgens de gemachtigde van eiser is de uitspraak op bezwaar in strijd met artikel 6:17 van de Awb niet aan hem toegezonden.

14. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd niet kan leiden tot verschoonbaarheid van het verzuim. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat verweerder de uitspraak op bezwaar wel degelijk aan de gemachtigde van eiser heeft toegezonden. De rechtbank acht de blote ontkenning van de gemachtigde van eiser dat hij de uitspraak op bezwaar heeft ontvangen ongeloofwaardig. De rechtbank weegt bij haar oordeel mee dat de gemachtigde van eiser ter zitting heeft bevestigd dat hij de in overweging 4 vermelde e-mail van 11 januari 2022 ontvangen heeft. Volgens de gemachtigde bevatte deze e-mail wél de brief van 13 januari 2022, maar niet de uitspraak op bezwaar. Uit bijlage 10 bij het verweerschrift blijkt echter dat de e-mail van 11 januari 2022 meerdere bijlagen bevat. Verweerder heeft dienaangaande ter zitting verklaard dat gemachtigde altijd ontkent stukken te hebben ontvangen, dat de e-mail van 11 januari 2022 voor de zekerheid is gericht aan drie e-mailadressen van gemachtigde, dat het daarin vermelde “attachment” met de bestandsnaam “Dossiernummer [nummer 2] .pdf” de uitspraak op bezwaar is en dat verweerder dit afleidt uit de naam van dit bestand en het aantal pagina’s. Gemachtigde heeft dit een en ander niet dan wel onvoldoende weersproken. Ook in de brief van 13 januari 2022 staat vermeld dat daarbij een kopie van de uitspraak op bezwaar is gevoegd. Als de uitspraak op bezwaar ontbrak dan lag het in de rede dat de gemachtigde van eiser contact had opgenomen met verweerder. Dat is niet gebeurd. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de uitspraak op bezwaar tevens naar de gemachtigde van eiser is gestuurd en dat gemachtigde de uitspraak op bezwaar ook moet hebben ontvangen. Ook indien de uitspraak in strijd met het bepaalde van artikel 6:17 van de Awb, niet tevens naar de gemachtigde zou zijn gestuurd dan had de gemachtigde de uitspraak op bezwaar kunnen opvragen bij zijn cliënt (eiser). Dat heeft gemachtigde evenmin gedaan, zodat het verzuim ook om die reden niet verschoonbaar is. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het voor de gemachtigde van eiser mogelijk was de uitspraak op bezwaar te overleggen. Door niet te voldoen aan het verzoek van de rechtbank om de uitspraak te overleggen is het verzuim niet (tijdig) hersteld. De rechtbank zal het beroep om die reden niet-ontvankelijk verklaren voor zover het betrekking heeft op de uitspraak op bezwaar. De rechtbank acht deze uitkomst in overeenstemming met de hierboven weergegeven strekking van het bepaalde in artikel 6:5, tweede lid, van de Awb. Omdat gemachtigde de uitspraak op bezwaar niet heeft overgelegd terwijl dat wel mogelijk was komt naar het oordeel van de rechtbank het goede verloop van de procedure in het gedrang.

15. Bij het beroepschrift is wél een afschrift overgelegd van de brief van 13 januari 2022. Voor zover het beroep betrekking heeft op die brief is het beroep ook niet-ontvankelijk. De brief van 13 januari 2022 is vanwege het gesloten stelsel van rechtsbescherming namelijk niet aan te merken als een besluit waartegen beroep bij de belastingrechter ingesteld kan worden. Het is binnen het belastingrecht immers niet mogelijk een tweede uitspraak op bezwaar te doen. Voor zover het beroep betrekking had op het ontbreken in de uitspraak op bezwaar van een beslissing op het verzoek om vergoeding van proceskosten en de in de brief van 13 januari 2022 alsnog gegeven afwijzing van het verzoek, is het beroep ter zitting ingetrokken, zodat daarover geen beslissing volgt.

16. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschilpunt, namelijk de vraag of de hoorplicht is geschonden. Ten overvloede merkt de rechtbank daarover op dat – indien eiser zou worden gevolgd in de stelling dat de hoorplicht is geschonden en geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar – hieraan geen gevolgen hoeven te worden verbonden. Uit het verhandelde ter zitting begrijpt de rechtbank dat de juistheid van de opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting niet in geschil is. Over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan bestaat geen verschil van mening tussen partijen. Uit het door eiser zelf ingediende bezwaarschrift begrijpt de rechtbank dat hij geen aangifte parkeerbelasting heeft gedaan doordat hij vergeten was op de startknop van de parkeerapp te drukken. De door gemachtigde geopperde mogelijkheid dat het betaald parkeren regime ter plaatse niet duidelijk was of dat mogelijk sprake was van laden en lossen kan de rechtbank niet rijmen met wat eiser zelf heeft gezegd in zijn bezwaarschrift. De door gemachtigde genoemde mogelijkheden vormen dan ook geen feiten die van belang kunnen zijn voor de beoordeling. Evenmin is sprake van een aangelegenheid waarbij verweerder beleidsvrijheid toekomt. Indien al sprake zou zijn van een schending van de hoorplicht, dan is er gelet op het voorgaande geen sprake van een benadeling van eiser en kan daaraan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden voorbijgegaan zonder toekenning van proceskosten (vgl. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495).

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Rechtsmiddel