FBN 2009/46 - HR: conserverende IBaanslag in eerste instantie niet aftrekbaar voor SW
Aflevering 7-8, gepubliceerd op 01-08-2009 Vader bezit aandelen in een NV die behoren tot een aanmerkelijk belang. Hij overlijdt in 1998. Zoon Z is zijn enige erfgenaam. Omdat Z in het buitenland woont, worden de ab-aandelen voor de inkomstenbelasting onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden geacht te zijn vervreemd. Geruisloze doorschuiving van de ab-claim naar Z is niet mogelijk (artikel 20a, leden 6 en 7 Wet IB 1964; thans artikelen 4.16 en 4.17 Wet IB 2001). Daarom is aan erflater een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd van ƒ 1,7 miljoen. Z maakt echter van de mogelijkheid gebruik om de ab-heffing uit te stellen middels een zogenoemde conserverende aanslag (zie artikel 25, lid 8 Invorderingswet). Dit betekent dat als Z de aandelen niet binnen tien jaar vervreemdt, Z na het verstrijken van die periode een verzoek kan indienen om de aanmerkelijkbelangheffing volledig kwijt te schelden (thans artikel 26, lid 4 Invorderingswet).