FBN 2015/66 - Bewindvoerder mocht gratis afstand doen van recht van gebruik en bewoning
Aflevering 12, gepubliceerd op 31-12-2015 Na het overlijden van haar echtgenoot is X verhuisd naar een verzorgingstehuis omdat zij niet meer zelfstandig kan wonen. Onlangs is over haar vermogen een bewind ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 BW. De meerderjarigenbewindvoerder heeft een verzoek ingediend bij de kantonrechter om machtiging te verlenen voor het ‘om niet’ afstand doen van het zakelijk recht van gebruik en bewoning dat behoort tot het vermogen van X. Dit genotsrecht is in het verleden door X en haar echtgenoot voorbehouden toen zij hun woning overdroegen aan hun dochter en schoonzoon. De kantonrechter heeft nu weliswaar machtiging verleend voor het doen van afstand van het genotsrecht, maar daarbij is tevens de voorwaarde gesteld dat de dochter en de schoonzoon een tegenprestatie van € 24.000 aan X zijn verschuldigd. Omdat de bewindvoerder het er niet mee eens is dat er een tegenprestatie is verschuldigd, heeft hij hoger beroep ingesteld. De bewindvoerder stelt onder meer dat het hier gaat om een zakelijk genotsrecht dat op grond van artikel 3:226, lid 4, BW persoonsgebonden is. Omdat X is verhuisd naar een verzorgingstehuis, heeft het genotsrecht geen waarde meer. Subsidiair stelt de bewindvoerder dat voor de overdrachtsbelasting het genotsrecht € 9.000 waard is en dat een machtiging moet worden verleend tegen betaling van dit bedrag.