FBN 2017/15 - WBR-tarief van 2% was niet van toepassing op aangrenzend perceel grasland
Aflevering 4, gepubliceerd op 30-04-2017 X heeft een woonboerderij en een aangrenzend stuk grasland (ruim 61 are) in eigendom verkregen. Naar aanleiding hiervan heeft het hof in navolging van de rechtbank geoordeeld dat over het grasland 6% overdrachtsbelasting is verschuldigd omdat het perceel niet kan worden aangemerkt als een aanhorigheid zodat artikel 14, lid 2, WBR niet van toepassing is. Het hof overweegt daartoe onder meer dat uitgaande van de verkeersopvattingen het perceel grasland niet tot de woonboerderij behoort. Dat het perceel grasland ten tijde van de aankoop door X uitsluitend kon worden betreden via het erf van de woonboerderij doet daaraan niet af. Anders dan van een erf, tuin of een bij een woning behorende opstal zoals een tuinhuisje of (een of meer) garages(s) kan met betrekking tot een perceel grasland dat wordt benut voor het hobbymatig houden en weiden van paarden in het algemeen niet worden geoordeeld dat sprake is van een aanhorigheid. Niet kan worden gezegd dat het grasland in gebruik is bij en dienstbaar is aan de functie van de woonboerderij als woning. Het ligt op de weg van X om aannemelijk te maken dat deze regel in het concrete geval uitzondering lijdt. Naar het oordeel van het hof heeft X daaraan niet voldaan. Het hiervoor gegeven oordeel ligt daarmee tevens in lijn met HR 29 april 1981 (BNB 1981/176) en Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2013 (Notamail 2013, nr 240). Verder volgt het hof het oordeel van de rechtbank dat X zich niet kan beroepen op het antwoord dat de staatssecretaris van Financiën heeft gegeven op vraag 16 van de KNB (zie FBN 2012, nr. 1) omdat deze vraag betrekking heeft op een perceel grond en water die onderdeel uitmaken van de tuin van de betreffende woning terwijl het onderhavige grasland geen deel uitmaakt van het erf of de tuin bij de woonboerderij.