JBO 2022/12 - Diepere ondergrond: schade door mijnbouwactiviteiten
ECLI:NL:RBNNE:2022:117, datum uitspraak 19-01-2022, publicatiedatum 21-01-2022
Aflevering 2, gepubliceerd op 08-04-2022 Toekenning schadevergoeding wegens fysieke schade door mijnbouw De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bewijsvermoeden voor schades 7 en 8 is weerlegd. In het herziene adviesrapport heeft deskundige Verstraten voor een zestal schades aan de woning geconcludeerd dat het ontstaan of de verergering van die schades door trillingen als gevolg van mijnbouwactiviteiten niet is uit te sluiten. Die conclusie is nadien niet gewijzigd door deskundigen Pierik en Handgraaf. Eén van die zes schades is schade 3, een verticale scheur in het voegwerk van het metselwerk aan de buitenkant van de woning. Daarmee staat vast dat trillingen als gevolg van mijnbouwactiviteiten fysieke schade aan de buitenkant van de woning hebben veroorzaakt althans hebben kunnen veroorzaken, dan wel verergerd. En daarmee is naar het oordeel van de rechtbank ook gegeven dat in dit specifieke geval geen (doorslaggevende) waarde kan worden toegekend aan rapporten over de beperkende werking van trillingssnelheden waarnaar door de deskundigen is verwezen, voor zover het betreft de weerlegging van het bewijsvermoeden. Duidelijk is immers dat daarin genoemde algemene en met name theoretische uitgangspunten inzake de werking van trillingen in het concrete geval schade als gevolg mijnbouwactiviteiten niet uitsluiten. Dergelijke rapporten kunnen in een geval als het onderhavige aldus geen bijdrage leveren aan de invulling van het bewijsvermoeden. Voorts is een andere van die zes schades schade 19, een verticale scheur aan de binnenkant van de woning. Op de corresponderende plek aan de buitenkant van de woning bevindt zich schade 8, een verticaal getrapte scheur in het voeg- en metselwerk. Nu schade 19 is aangemerkt als mijnbouwschade en vaststaat, althans niet uitgesloten is, dat mijnbouwschade aan de buitenkant van de woning is opgetreden, acht de rechtbank niet evident dat schade 8 een andere uitsluitende oorzaak heeft dan beweging van de bodem als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Verweerders opmerking dat schades 8 en 19 in een spouwmuur zitten, leidt niet tot een ander oordeel. Verstraten noch Pierik hebben die opbouw van de muur betrokken bij hun conclusies. Handgraaf heeft over die opbouw opgemerkt dat de binnen- en buitenmuur door middel van spouwankers met elkaar verbonden zijn. Door die verbinding acht de rechtbank het niet evident dat de binnen- en buitenmuur los van elkaar kunnen bewegen. Verweerders opmerking dat schade 3 in een hoekaansluiting van twee gevels zit en daarom niet te vergelijken is met schade 8, neemt het verband tussen schades 8 en 19 niet weg. In het licht van bovenstaande conclusies over schades 3 en 8 en de aard van schade 7 acht de rechtbank evenmin evident dat schade 7 een andere uitsluitende oorzaak heeft dan beweging van de bodem als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Hoewel voor die schade geen sprake is van een corresponderende schade aan de binnenkant van de woning, is evident dat mijnbouwactiviteiten fysieke schade hebben (kunnen) veroorzaakt aan buitenmuren van de woning. Verweerders standpunt over het ontbreken van een dilatatievoeg in de zuidgevel van de woning leidt niet tot een ander oordeel temeer nu dat standpunt te veel onduidelijkheden bevat. Zo is onvoldoende onderzocht en gemotiveerd welke normen gelden voor het moeten toepassen van een dilatatievoeg in deze gevel. Deskundige Lania heeft de beweringen van Pierik daarover gemotiveerd bestreden, waarna Handgraaf slechts met een algemene toelichting op die bestrijding heeft gereageerd. Daarmee is niet alsnog sprake van een evident andere oorzaak. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door de door Lania berekende herstelkosten van € 950,81 inclusief btw en de wettelijke rente aan eiser toe te kennen.