JM 2019/909 - Nieuwe jurisprudentielijn vertrouwensbeginsel: uitlatingen en gedragingen worden eerder aan bestuursorgaan toegerekend
Aflevering 7, gepubliceerd op 02-07-2019 geschreven door Haakmeester, J.S.In een uitspraak van 29 mei 2019 (deze uitspraak is elders in deze uitgave opgenomen) zet de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna ‘de Afdeling’), nieuwe lijnen uit voor het beoordelen van een beroep op het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht. De kern van de uitspraak is dat bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen moeten worden doorlopen. Uit deze stappen volgt dat meer de nadruk moet worden gelegd op hoe een uitlating of gedraging bij een redelijk denkende burger overkomt en minder op wat een bestuursorgaan ermee bedoelde. En, ook in gevallen waarin niet uitdrukkelijk is aangegeven dat de toezegging namens het bevoegde orgaan is gedaan, zal de Afdeling voortaan minder de nadruk leggen op de precieze bevoegdheidsverdeling. Tot slot overweegt de Afdeling dat het algemeen belang dat is gediend bij handhaving in beginsel zwaar weegt, maar niet doorslaggevend hoeft te zijn als er geen concrete bedreigde belangen van enige betekenis aangewezen kunnen worden. Een belangrijke uitspraak die op 29 mei en 5 juni al in drie andere uitspraken van de Afdeling is toegepast.