JOR 2014/172 - Hoge Raad, 06-04-2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, ECLI:NL:PHR:2012:BU3784, 10/01949 (met annotatie van prof. mr. N.E.D. Faber)
ECLI:NL:HR:2012:BU3784, datum uitspraak 06-04-2012, publicatiedatum 06-04-2012
ECLI:NL:PHR:2012:BU3784, datum uitspraak 06-04-2012, publicatiedatum 06-04-2012
Aflevering 6, gepubliceerd op 06-06-2014 met annotatie van prof. mr. N.E.D. Faber en mr. N.S.G.J. VermuntRegresvordering hoofdelijk schuldenaar ex art. 6:10 BW, Regresvordering ontstaat op moment dat hoofdelijk verbonden schuldenaar de schuld voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, Verjaringstermijn ex art. 3:310 lid 1 BW van toepassing, Regresvordering verjaart vijf jaar na aanvang van de dag, volgende op die waarop de schadevordering opeisbaar is geworden, In gevallen waarin regresvordering niet is verjaard, kan instellen van die rechtsvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn of kan regresnemer zijn recht hebben verwerkt op grond van feiten en omstandigheden die (mede) hebben plaatsgevonden vóór het ontstaansmoment van regresvordering, Verwijzing naar HR 4 juni 2004, «JOR» 2004/220; HR 3 juni 1994, NJ 1995, 340, HR 3 mei 2002, «JOR» 2002/111, m.nt. Van den Ingh; HR 9 juli 2004, «JOR» 2004/222, m.nt. JJvH; HR 31 oktober 2003, NJ 2006, 112; HR 10 oktober 2003, NJ 2003, 680; HR 19 oktober 2001, NJ 2001, 655; HR 10 september 2010, NJ 2012, 195, m.nt. Du Perron; HR 9 oktober 2009, NJ 2012, 193, m.nt. Du Perron en HR 9 juli 2010, «JOR» 2010/294, m.nt. Delhaas