NTFR 2021/3386 - Navorderingsaanslag blijft ondanks toezegging in stand door interne compensatie (art. 81.1 Wet RO)
ECLI:NL:HR:2021:1447, datum uitspraak 08-10-2021, publicatiedatum 08-10-2021
Aflevering 41, gepubliceerd op 14-10-2021 Belanghebbende houdt via C bv de aandelen in E bv en G bv. Uit een FIOD-onderzoek blijkt dat belanghebbende een dividenduitkering van minimaal € 1,1 miljoen van C bv of G bv heeft ontvangen. De inspecteur wil over deze dividenduitkeringen navorderen; de ene helft bij belanghebbende en de andere helft bij zijn echtgenote. Omdat de aanslagtermijn bijna verstrijkt en niet duidelijk is of belanghebbende de uitkering in 2009 of in 2010 heeft genoten, legt de inspecteur aan belanghebbende en zijn echtgenote navorderingsaanslagen over beide jaren op. Hij doet daarbij de toezegging dat hij tot ambtshalve vermindering zal overgaan als mocht blijken dat er sprake is van dubbele belasting. Belanghebbende legt zich uiteindelijk neer bij de heffing over 2010. Met de navordering over 2009 is hij het niet eens. Op grond van het vertrouwensbeginsel geeft de rechtbank (Rechtbank Noord-Nederland 5 juli 2018, nrs. 16/4799 en 16/4800, NTFR 2018/1740) belanghebbende gelijk. Zij is van oordeel dat de inspecteur heeft toegezegd dat hij ter voorkoming van dubbele belasting, als de heffing over 2010 onherroepelijk vaststaat, de navordering over 2009 zou laten vallen. De inspecteur is van mening dat hij, ondanks zijn toezegging, de correctie voor het jaar 2009 gewoon mag handhaven, omdat inmiddels is gebleken dat belanghebbende in 2009 een andere dividenduitkering heeft genoten. De inspecteur beroept zich op interne compensatie. In hoger beroep stelt het hof (Hof Arnhem-Leeuwarden 27 augustus 2019, nrs. 18/00693 en 18/00694, NTFR 2019/2533) eerst vast dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Bij de beoordeling of de schatting van het inkomen redelijk is, heeft de inspecteur volgens het hof aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2009 een dividenduitkering van C bv heeft ontvangen. De schatting van bijna € 1,6 miljoen is volgens het hof redelijk. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de inspecteur slechts beperkt inzicht heeft gehad in de transacties en geldstromen tussen C bv en belanghebbende, en dat belanghebbende daarover, ondanks verzoeken daartoe, geen opheldering heeft gegeven. De inspecteur heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2009 van C bv nog een dividend (van bijna € 1,7 miljoen) heeft ontvangen. Dit betreft een dividend dat C bv in 2009 van G bv heeft ontvangen en aan belanghebbende heeft doorbetaald, maar waarvan niet vaststaat dat die doorbetaling in 2009 heeft plaatsgevonden. Het vertrouwensbeginsel staat de interne compensatie volgens het hof niet in de weg. Met betrekking tot de toezegging over dubbele heffing stelt het hof vast dat die toezegging ziet op de intern gecompenseerde dividenduitkering. Nu dat dividend niet in 2009 belast is, is er volgens het hof geen sprake van dubbele heffing.