NTFR 2022/2870 - Recht op proceskostenvergoeding omdat bij nieuwe rechtsontwikkeling instellen beroep niet uitsluitend voortvloeit uit handelwijze belanghebbende
ECLI:NL:HR:2022:1040, datum uitspraak 08-07-2022, publicatiedatum 08-07-2022
Aflevering 29-30, gepubliceerd op 27-07-2022 met annotatie van mr. M.H. HogendoornBelanghebbende heeft voor de registratie van drie gebruikte auto’s BPM op aangifte voldaan. Tegen elke voldoening is afzonderlijk bezwaar gemaakt. Tegen de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. De griffier heeft terecht driemaal griffierecht geheven, omdat geen sprake is van samenhangende besluiten. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft belanghebbende voor het eerst ter zitting gesteld dat het historische BPM-tarief moet worden toegepast. Het hof heeft dit standpunt voor één auto gevolgd en om die reden het hoger beroep gegrond verklaard. Volgens de Hoge Raad heeft het hof terecht geen bezwaarkostenvergoeding toegekend. Als een belastingplichtige, zoals in dit geval, een te hoog belastingbedrag op aangifte betaalt, kan niet worden gezegd dat de door het hof gelaste vermindering van de verschuldigde BPM het gevolg is van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Wel had het hof een proceskostenvergoeding voor de (hoger)beroepsfase moeten toekennen, aldus de Hoge Raad. Bij een gegrond beroep moeten in de regel de proceskosten worden vergoed. Van deze regel wordt afgeweken als de noodzaak tot het instellen van (hoger) beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. Daarvan is in dit geval geen sprake. Wanneer na het doen van de uitspraak op bezwaar jurisprudentie van bijvoorbeeld de Hoge Raad of HvJ EU wordt gepubliceerd met een nieuwe rechtsontwikkeling, en de belanghebbende naar aanleiding daarvan alsnog gronden ziet om in (hoger) beroep een (verdere) vermindering te bepleiten, is er geen reden om bij gegrondverklaring van het (hoger) beroep geen proceskostenvergoeding toe te kennen. Aan de belanghebbende mag niet worden tegengeworpen dat hij bij de voldoening op aangifte of in de bezwaarfase niet zelf op de mogelijkheid van een nieuwe rechtsontwikkeling heeft geanticipeerd.