NTFR 2022/316 - Einddoel transactie zakelijk, maar route ernaartoe niet: splitsingsvrijstelling niet van toepassing
ECLI:NL:HR:2022:17, datum uitspraak 14-01-2022, publicatiedatum 14-01-2022
Aflevering 3, gepubliceerd op 20-01-2022 met annotatie van mr. D.C. SimonisBelanghebbende is een vastgoedfonds. In april 2012 zijn belanghebbende en een stichting overeengekomen dat belanghebbende de vastgoedportefeuille van de stichting zou overnemen tegen uitgifte van aandelen in belanghebbende. Om hieraan uitvoering te geven heeft de stichting een bv opgericht waarin zij alle aandelen houdt. Op 9 augustus 2012 heeft de stichting als (agio)storting op de aandelen het vastgoed in de bv ingebracht. Op dezelfde dag heeft de bv het van de stichting verkregen vastgoed afgesplitst naar belanghebbende en heeft belanghebbende aan de stichting aandelen toegekend. In geschil is of de verkrijging van de vastgoedportefeuille is vrijgesteld van overdrachtsbelasting op grond van art. 15, lid 1, onderdeel h, Wet BRV. Hof Amsterdam (26 januari 2021, nr. 18/00109, NTFR 2021/1146) heeft die vraag ontkennend beantwoord. Volgens het hof heeft de uiteindelijk gekozen vormgeving van de transactie met de juridische afsplitsing als hoofddoel het ontwijken van overdrachtsbelasting. Dit oordeel wordt in cassatie vergeefs bestreden door belanghebbende. De Hoge Raad verwijst daarvoor naar de gronden in de onderdelen 6.2 t/m 6.11 van de conclusie van A-G Wattel in deze zaak (van 3 november 2021, NTFR 2021/4154). Daarin zet de advocaat-generaal kort gezegd uiteen dat als het einddoel van de transactie zakelijk is maar de gekozen route van de handelingen niet, zoals hier, de vrijstelling niet van toepassing is. Voor het overige doet de Hoge Raad de zaak af onder verwijzing naar art. 81, lid 1, Wet RO.