NTFR 2026/206 - Proceskostenvergoeding bij ongegrond hoger beroep bestuursorgaan
ECLI:NL:HR:2026:58, datum uitspraak 16-01-2026, publicatiedatum 16-01-2026
Aflevering 5, gepubliceerd op 27-01-2026 met annotatie van mr. V.A. BurgersIn een WOZ-procedure heeft rechtbank Den Haag het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, maar wel vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht toegekend. Daartegen heeft de heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld. Volgens de heffingsambtenaar is ten onrechte schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend, gelet op de afspraken die zijn gemaakt met het kantoor van de gemachtigde. Hof Den Haag (13 november 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2677) heeft het hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond verklaard en heeft daarbij geen proceskostenvergoeding aan belanghebbende (als verwerende partij) toegekend. De Hoge Raad vernietigt deze hofuitspraak, omdat het hof een proceskostenvergoeding had moeten toekennen. De Hoge Raad doet de zaak zelf af en kent een proceskostenvergoeding voor het hoger beroep toe. Wat betreft de proceskostenvergoding voor de cassatieprocedure houdt de Hoge Raad de zaak aan om te onderzoeken of sprake is van een bijzonder geval waardoor de beperkingen van de WHpkv niet van toepassing zijn.