WPNR 2006, afl. 6651 - Naschrift
Aflevering 6651, gepubliceerd op 28-01-2006 geschreven door Mw. prof. mr. C.J.M. KlaassenDe reactie van mr. E. Schutte op mijn bijdrage aan de rubriek Privaatrecht Actueel, getiteld “Mediation in plaats van of naast rechtspraak: a way of no return?”, stemt mij tot vreugde. Hiermee beantwoordt deze bijdrage immers aan het met deze rubriek beoogde doel: aanzetten tot nadere gedachtewisseling. Schutte geeft aan het met mij eens te zijn dat met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst aan het slot van een mediation-traject het belang van de in het kader van de mediation te betrachten vertrouwelijkheid in beginsel komt te vervallen, althans in een ander daglicht komt te staan. Ook geeft zij aan het eens te zijn met mijn constatering dat het uitsluiten van het verstrekken van informatie betreffende de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst de toegang tot de rechter voor geschillen over de uitleg van deze vaststellingsovereenkomst in wezen illusoir maakt (omdat de rechter dan immers slechts op grond van de tekst hiervan kan beslissen, terwijl deze tekst door partijen in zo’n geval nu juist verschillend wordt uitgelegd). Tòch voelt Schutte niet voor de door mij geopperde gedachte, wat betreft de status van de vertrouwelijkheid van de in het kader van de mediation verstrekte informatie onderscheid te maken tussen enerzijds de situatie dat nadien toch wordt (door)geprocedeerd over het aan mediation onderworpen geschil en anderzijds de situatie dat nadien niet wordt geprocedeerd over het aan mediation onderworpen geschil, maar over de (uitleg van de) vaststellingsovereenkomst die het resultaat is van de op zichzelf geslaagde mediation. De reden hiervoor is dat Schutte de vertrouwelijkheid kennelijk als cruciaal ziet voor het welslagen van de mediation en partijen, aldus Schutte, hun informatie-uitwisseling tijdens het mediationproces afstemmen op de in het verlengde hiervan overeengekomen geheimhouding. Bij het veronderstelde wezenlijke karakter van de vertrouwelijkheid c.q. de geheimhouding voor het welslagen van mediation vallen ondertussen her en der wel relativerende geluiden te beluisteren. Bij mijn weten ontbreekt op dit punt vooralsnog echter gefundeerd onderzoek, zodat ik evenals Schutte in beginsel uitga van het belang van de vertrouwelijkheid voor het welslagen van mediation. Schutte wijst er - terecht - op dat de mediator, in de door mij geopperde benadering, de partijen er in de intakefase op zou moeten wijzen dat bij een conflict over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst de informatie betreffende de totstandkoming hiervan moet worden verstrekt. Hieraan verbindt zij de conclusie dat dit de voor mediation noodzakelijke open opstelling van partijen tijdens het mediationproces evident zal belemmeren. Deze constatering berust blijkbaar op de persoonlijke inschatting van Schutte. Ik wil hieraan, bij gebrek aan “harde” andersluidende informatie, op zichzelf niet afdoen, maar hier slechts een andere, eveneens persoonlijke, inschatting tegenover plaatsen. Vooraf zij opgemerkt dat de mediator, als we de visie van Schutte aanhouden, partijen er naar mijn mening bij de intake op zal dienen te wijzen wat de consequentie van de geheimhoudingsclausule is in het geval de mediation mislukt dan wel op zichzelf slaagt, maar er later alsnog geschil ontstaat over de vaststellingsovereenkomst. Wat deze laatste situatie betreft, zal de mediator partijen dan dus dienen te wijzen op de door Schutte gedeelde conclusie dat de toegang tot de rechter voor dergelijke geschillen bij onverkorte toepassing van de geheimhoudingsclausule in wezen illusoir is. Niettemin: de belangrijkste boodschap aan partijen is dat in het geval de mediation niet slaagt en er alsnog (voort)geprocedeerd moet worden, de informatie uit de mediation geheim blijft.