WPNR 2007, afl. 6715 - Hoe verder met “eis in de hoofdzaak” na “herleving” opgeheven conservatoir beslag: een “nieuwe termijn” (HR 9 februari 2007, NJ 2007, 103, Wessex/Itera)
Aflevering 6715, gepubliceerd op 16-06-2007 geschreven door Mr. L.P. Broekveldt1) In dit arrest heeft de Hoge Raad kort en bondig aangegeven welke de gevolgen zijn voor het instellen van de in art. 700 lid 3 RvVerwijzingen naar wetsartikelen zonder vermelding van het specifieke wetboek betreffen alle Rv. bedoelde “eis in de hoofdzaak” van een in appel vernietigd vonnis van de lagere rechter (veelal in kort geding), waarbij een conservatoir verhaalsbeslagHet arrest is overigens van belang voor alle conservatoire beslagen waarin op straffe van verval van het beslag een “eis in de hoofdzaak” moet worden ingesteld, dus niet uitsluitend voor verhaalsbeslagen, maar bijvoorbeeld óók voor de in de art. 730-737 geregelde conservatoire leveringsbeslagen, zoals het deelgenotenbeslag (art. 733) en het Paulianabeslag (art. 737).bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis werd opgeheven. In het geval dat deze eis in hoger beroep - maar voor de cassatie-instantie zal in beginsel hetzelfde moeten gelden - niet alsnog, ondanks het verstrijken van de aanvankelijk daartoe door de Voorzieningenrechter gestelde termijn van “tenminste acht dagen na het beslag” (art. 700 lid 3, eerste volzin), is ingesteld, dient volgens dit arrest de hogere rechter die door zijn uitspraak het opgeheven beslag doet “herleven”, op de voet van deze bepaling “een nieuwe termijn te bepalen” (rov. 3.5). Het gaat hier, voor zover ik weet, om het eerste arrest van de Hoge Raad over (de uitleg van) de in art. 700 lid 3 bedoelde termijn. Het is dan ook merkwaardig dat het arrest in de NJ niet van een annotatie is voorzien. Eerder had de Hoge Raad zich al wel uitgesproken over de vraag welke procedures (óók) kunnen kwalificeren als een ingestelde “eis in de hoofdzaak”.Daarbij heb ik het oog op de arresten Ajax/Reule (HR 26 februari 1999, NJ 1999, 717, m. nt. HJS) en Ontvanger/Heemhorst (HR 3 oktober 2003, NJ 2004, 557, m. nt. HJS, en ook in Ars Aequi 2004/2, p. 127 e.v., m. nt. A.I.M. van Mierlo), waarin een vordering in kort geding resp. een opgelegde belastingaanslag als “eis in de hoofdzaak” werd aanvaard. In het onderhavige arrest is door de Hoge Raad - in afwijking van de conclusie van A-G StrikwerdaDit neemt niet weg dat zowel de A-G als óók de Hoge Raad concludeerde resp. kwam tot verwerping van het cassatieberoep. Dat is enigszins merkwaardig, waarover hierna onder 7 en in noot 21 nader. - een juiste maar niet aanstonds voor de hand liggende oplossing gegeven van een vraag waaraan in de literatuur, als ik het goed heb gezien, in het geheel geen aandacht is besteedOok in de conclusie van de A-G is geen verwijzing naar een vindplaats in de literatuur te vinden. (wat overigens ook voor mij zelf geldtIn mijn Derdenbeslag (diss. Leiden), 2003, ben ik evenmin op deze problematiek ingegaan. Wel heb ik daar in nr. 413, p. 681-683, de nodige aandacht besteed aan “herleving” van eerder bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis opgeheven beslagen en de gevolgen daarvan. Het verband met een (veelal) inmiddels verstreken termijn ex art. 700 lid 3 is toen ook door mij niet gelegd.). De beslissende rov. 3.5 (zie hierna onder 4) is echter, hoewel op zich zelf zeker duidelijk, zó bondig geformuleerd dat daardoor weer andere vragen worden opgeroepen die helaas onbeantwoord zijn gelaten (waarover nader onder 5, 6 en 7).