WPNR 2009, afl. 6802 - De 'nieuwe' successierechtelijke fictiebepalingen. zonneklaar of doen alsof?
Aflevering 6802, gepubliceerd op 06-06-2009 geschreven door Prof. dr. B.M.E.M. ScholsLaat ik maar meteen met de deur in huis vallen. Op zijn zachtst gezegd, leverde het bestuderen van de ‘nieuwe’ fictiebepalingen, zoals neergelegd in wetsvoorstel 31 930, na ‘150 jaar’ Kamerstukken II, vergaderjaar 2008-2009, 31 930, nr. 4, p. 5 en 6. De Raad van State drukt zich daar als volgt uit: ‘Het successierecht is sinds de invoering in 1859 in wezen hetzelfde gebleven wat betreft zijn systematiek. [...]. Hoewel de wet meermalen gewijzigd is hij in zijn huidige opzet verouderd gebleven.’ En op p. 6: ‘De meeste van deze fictiebepalingen zijn ingevoerd bij de Wet van 24 mei 1897, Stb. 154, en sedertdien niet wezenlijk gewijzigd.’ De Staatssecretaris van Financiën realiseert zich eveneens dat hij met oude wetgeving van doen heeft oftewel: ‘Het is inderdaad zo dat het huidige stelsel van belastingen een andere is dan 150 jaar geleden toen de basis voor de huidige successiewet werd gelegd.’ (p. 2). wachten, een ‘kleine’ deceptie op. En dat terwijl de fictiebepalingen toch het dogmatische hart van de successiewetgeving genoemd mogen worden, althans mogen ‘worden geacht’ dit te zijn. In de memorie van toelichting van de wijzigingen in 1956 werd opgemerkt: Kamerstukken II, vergaderjaar 1953-1954, 915, nr. 3, p. 16.