WPNR 2009, afl. 6824 - Alle contracten leiden naar Rome I
Aflevering 6824, gepubliceerd op 26-12-2009 geschreven door Prof. mr. P. VlasVoor het ‘Europese’ IPR is 17 december 2009 een gedenkwaardige dag. Op die dag heeft het vertrouwde Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (meestal aangeduid als EVO)Verdrag gesloten te Rome op 19 juni 1980, Trb. 1980, 156 (Nederlands), Trb. 1991, 109 (Engels en Frans); voor Nederland in werking getreden op 1 september 1991. in de lidstaten van de Europese Unie plaats gemaakt voor de Verordening inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (aan te duiden als Rome I).Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008, PbEU L 177/6 van 4 juli 2008, met rectificatie in PbEU 2009 L 309/87. De verordening is krachtens art. 29 Rome I in werking getreden op 24 juli 2008, maar is van toepassing met ingang van 17 december 2009. Art. 26 Rome I is al in werking getreden op 17 juni 2009. Krachtens deze bepaling zijn de lidstaten verplicht aan de Europese Commissie een lijst over te leggen met verdragen waarbij zij op het tijdstip van de vaststelling van de verordening partij zijn en die regels bevatten over het toepasselijk recht op verbintenissen uit overeenkomst. De verordening Rome I vormt dan samen met de op 11 januari 2009 in werking getreden verordening Rome II voor de lidstaten een geünificeerd geheel van conflictregels op het gebied van het verbintenissenrecht.Verordening (EG) nr. 864/2007 van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II), PbEU L 199/40 van 31 juli 2007. Zie ook het aan Rome II gewijde themanummer van WPNR (2008) 6780, p. 987-1024, alwaar ook de tekst van de verordening is afgedrukt. In 1980 was de totstandkoming van het EVO een belangrijke mijlpaal, waaraan door W.E. Haak in de kolommen van dit tijdschrift uitgebreid aandacht is besteed.W.E. Haak, Nieuw internationaal overeenkomstenrecht, WPNR (1980) 5544-5546. Dat de inwerkingtreding van het EVO toch nog elf jaar op zich heeft laten wachten, werd veroorzaakt door het feit dat het geruime tijd heeft geduurd voordat de lidstaten overeenstemming konden bereiken over de aan het Hof van Justitie van de EG toe te kennen prejudiciële beslissingsbevoegdheid over de uitleg van het EVO.Uiteindelijk kwamen daarover op 19 december 1988 te Brussel twee protocollen tot stand (zie Trb. 1989, 49 en 50), die beide pas op 1 augustus 2004 in werking zijn getreden. Saillant is dat net nog in de nadagen van het EVO de Hoge Raad de kans heeft gekregen om de eerste prejudiciële vragen over de uitleg van het EVO (in casu over art. 4 EVO) aan het HvJ EG te stellen. Het hof heeft deze vragen op 6 oktober 2009 beantwoord.Zie het verwijzingsarrest HR 28 maart 2008, NJ 2008, 191 en de prejudiciële beslissing van het HvJ EG 6 oktober 2009, zaak C-133/08 (Intercontainer Interfrigo/Balkenende Groothuizen, MIC Operations). In het arrest wordt onder meer ingegaan op de vraag naar de verhouding tussen art. 4 lid 5 EVO (wet van de nauwste band) en de vermoedens van art. 4 leden 2 tot en met 4 EVO, wanneer de daarin opgenomen aanknopingscriteria geen reële aanknopingswaarde hebben.