WPNR 2011, afl. 6871 - Naschrift
Aflevering 6871, gepubliceerd op 22-01-2011 geschreven door Mr. M. MalychaEen van de doelstellingen van mijn bijdrage was de discussie over het bestaan van vorderingen uit onverschuldigde betaling in geval van foutieve girale betalingen opnieuw in gang te zetten. Verheugd heb ik dan ook kennis genomen van Schoordijk’s gewaardeerde reactie op mijn betoog, waarin hij de onderhavige problematiek in het licht van het Romeinse recht en het DCFR analyseert. De “theorie moet anders”, aldus Schoordijk. Uitgaande van deze constatering laat Schoordijk zich inspireren door het Romeinse recht en geeft hij de voorkeur aan een denkwijze die als hoofdregel een “Direktkondiktion” toestaat. Voor gevallen waarin een bank zonder geldige betalingsopdracht een girale betaling heeft verricht, zou de bank van de begunstigde terugbetaling kunnen vorderen. Een uitzondering geldt volgens Schoordijk slechts “in het kader van derdenbescherming” (sub 2), namelijk indien de begunstigde een vordering op de vermeende opdrachtgever heeft gehad die door de overboeking teniet is gegaan. Het probleem met Schoordijk’s betoog is naar mijn mening dat, voor zover er een (andere) theorie aan ten grondslag ligt, deze theorie niet naar voren komt. Zo geeft hij niet aan waarom het al dan niet bestaan van een geldige betalingsopdracht beslissend zou zijn voor beantwoording van de vraag of er een betaling in de zin van art. 6:203 BW heeft plaatsgevonden en, meer in het bijzonder, door wie deze betaling is verricht: de (vermeende) opdrachtgever of de uitvoerende bank? En welke rol speelt het arrest inzake Standard/ING, waaruit volgt dat een girale overboeking zonder geldige betalingsopdracht onder omstandigheden als nakoming door de vermeende opdrachtgever beschouwd kan wordenZie HR 26 januari 2001, NJ 2002/118, r.o. 3.4.1 (m.nt.J. Hijma).? Indien sprake is van nakoming, dient dan niet te worden aangenomen dat tevens sprake is van betaling (in de zin van art. 6:203 BW)? Ten slotte laat Schoordijk diverse variaties op het in mijn bijdrage inleidende voorbeeld buiten beschouwing, bijvoorbeeld de situatie waarin de (vermeende) opdrachtgever en de begunstigde hun rekeningen bij verschillende banken aanhouden. Heeft de bank van de (vermeende) opdrachtgever nu nog steeds een vordering uit onverschuldigde betaling op de begunstigde?