WPNR 2011, afl. 6901 - Het Unierechtelijke beginsel van gelijkheid en zijn inwerking op het burgerlijk
recht
Aflevering 6901, gepubliceerd op 08-10-2011 geschreven door Mw. prof. mr. drs. C.H. Sieburgh“Now since an unjust man is one who is unfair, and the unjust is the unequal, it is clear that corresponding to the equal there is a mean, namely that which is equal; for every action admitting of more and less admits of the equal also. If then the unjust is the unequal, the just is the equal - a view that commends itself to all without proof; and since the equal is a mean, the just will be a sort of mean too. (...); it is when equals possess or are allotted unequal shares, or persons not equal equal shares, that quarrels and complaints arise.”Aristoteles, Ethica Nicomachea, Boek V, Hoofdstuk 3, nr. 1-7, Engelse vertaling van H. Rackham, in: Aristotle, The Nicomachean Ethics, Loeb Classical Library. Zie voor een Nederlandse vertaling C. Hupperts en B. Poortman, in: Aristoteles, Ethica Nicomachea, Kallias 1997: “Aangezien de onrechtvaardige man onredelijk, en het onrechtvaardige ongelijk is, is het duidelijk dat er ook een bepaald midden van het onredelijke/ongelijke is. En dit midden is het redelijke/gelijke. Want in iedere soort handeling waar van meer en minder sprake is, is ook sprake van het gelijke. Als dus het onrechtvaardige onredelijk/ongelijk is, is het rechtvaardige redelijk/gelijk. Zelfs zonder argumentatie is iedereen hiervan overtuigd. Aangezien het redelijke/gelijke een midden is, zal het rechtvaardige wel een bepaald midden zijn. (...) Als de personen namelijk niet gelijk zijn, zal het deel dat ze krijgen niet gelijk zijn. Situaties waarin namelijk gelijke personen ongelijke porties, óf ongelijke personen gelijke porties bezitten en toegedeeld krijgen, vormen een bron voor ruzies en aanklachten.”