WPNR 2013, afl. 6998 - Een nieuwe generieke zorgplicht in het financiële toezichtprivaatrecht: Op naar meer toenadering tussen het bestuursrecht en het contractenrecht?
Aflevering 6998, gepubliceerd op 07-12-2013 geschreven door Prof. dr. O.O. CherednychenkoHet is inmiddels een bekend fenomeen: privaatrechtelijke verhoudingen in gereguleerde sectoren worden aan publiekrechtelijk toezicht onderworpen en in belangrijke mate door het bestuursrecht beheerst. Dit fenomeen manifesteert zich bij uitstek in de financiële sector. Veel gedragsnormen voor financiële ondernemingen die van oudsher tot het privaatrecht behoorden zijn tegenwoordig vervat in regels met een bestuursrechtelijk karakter. Ze zijn te vinden in de financiële toezichtwetgeving, namelijk de Wet op het financieel toezicht (Wft), het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen (BGfo) dat een uitwerking is van de Wft, de Nadere Regeling Gedragstoezicht financiële ondernemingen (NRgfo), dat weer een uitwerking is van de BGfo, en de richtlijnen van de AFM. Zo bevat de Wft een afdeling 4.2.3 getiteld ‘Zorgvuldige dienstverlening’ die nader geconcretiseerd is in het BGfo. Hier vindt men de publiekrechtelijke pendanten van tal van privaatrechtelijke gedragregels voor financiële ondernemingen bij het verlenen van financiële diensten, zoals de algemene zorgvuldigheidsnormen,Zie bijv. art. 4:59b lid 1 (een algemene zorgplicht van beheerders van instellingen voor collectieve beleggingen in effecten (icbe’s)) en art. 4:90 lid 1 Wft (een algemene zorgplicht van beleggingsondernemingen). Naar wordt verwacht zal de lijst van generieke zorgplichtbepalingen in de Wft binnenkort worden uitgebreid met een algemene zorgplicht van verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen. De betreffende bepaling is opgenomen in art. 24 van het voorstel voor een herziene Richtlijn betreffende verzekeringsbemiddeling (Insurance Mediaton II (IMD II) (COM(2012)360 final). Zie hierover O.O. Cherednychenko, ‘Naar een generieke zorgplicht voor verzekeraars en verzekeringstussenpersonen bij ‘verzekeringsbeleggingsproducten’ in de Wft?’, in M.L. Hendrikse & J.G.J. Rinkes (red.), Naar een (doorlopende) generieke zorgplicht voor verzekeraars en verzekeringstussenpersonen?, Zutphen: Uitgeverij Paris 2012, p. 83. vele informatieplichten,Zie bijv. art. 4:20 Wft. een ken-uw-client-verplichtingArt. 4:23 Wft. en een best execution verplichting bij het uitvoeren van orders voor cliënten.Art. 4:90a-4:90c Wft. Naast vele informatie- en zorgplichten bevat de financiële wetgeving sinds kort zelfs een publiekrechtelijke variant van de privaatrechtelijke iustum pretium-leer die niet als zodanig in het Nederlandse contractenrecht aanvaard is. Op grond daarvan mag de hoogte van de rechtstreekse beloning die de financiële adviseur of bemiddelaar afspreekt met zijn cliënt, niet ‘kennelijk onredelijk’ zijn gelet op de aard en reikwijdte van de dienstverlening.Art. 149a BGfo. Zie hierover O.O. Cherednychenko, ‘Provisieafspraken tussen cliënten en financiële dienstverleners: van de privaatrechtelijke contractsvrijheid naar de publiekrechtelijke iustum pretium’’, Contracteren 14 2012, p. 45; C.J. de Jong, ‘De beloning voor verzekeringsadvies en -bemiddeling’, FR 2012, p. 252.